ECLI:NL:RVS:2008:BD4762
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- A.W.M. Bijloos
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onvoldoende voortvarendheid bij vreemdelingenbewaring en vernietiging uitspraak rechtbank
De vreemdeling werd op 17 maart 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 25 maart 2008 diende hij een asielaanvraag in, waarna op 31 maart 2008 het vertrekgesprek plaatsvond, de eerste handeling ter voorbereiding van zijn uitzetting. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld, maar de Raad van State stelt dit oordeel ter discussie.
De Raad van State overweegt dat het ontbreken van voortvarendheid geen wettelijk vereiste is, maar dat het wel onrechtmatigheid kan veroorzaken als de belangen van de bewaring niet in redelijke verhouding staan tot het gebrek. In deze zaak waren er geen bijzondere omstandigheden die het uitblijven van eerdere uitzettingshandelingen rechtvaardigden. De staatssecretaris heeft geen zwaarwegende belangen gesteld die het gebrek konden compenseren.
Daarom oordeelt de Raad dat de maatregel van bewaring vanaf het begin niet in redelijkheid gerechtvaardigd was. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. De vreemdeling krijgt een schadevergoeding en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was vanwege onvoldoende voortvarendheid.