Uitspraak
200410184/1) moet, in aanmerking genomen de totstandkominggeschiedenis van dit artikel van het Bblb het onder 2º, sub a, gestelde kenmerk aldus worden uitgelegd dat een functionele relatie bestaat tussen de erf- of perceelafscheiding en het op dat perceel staande gebouw. De rechtbank heeft terecht overwogen dat tussen de erfafscheiding en de woning van [appellanten] een dergelijke functionele relatie niet bestaat. Doorslaggevend daarvoor is dat met de erfafscheiding een perceel wordt afgeschermd dat in planologisch opzicht geen deel uitmaakt van het bij de woning behorend erf. Hoewel het perceel waarop de erfafscheiding is gerealiseerd feitelijk is ingericht ten dienste van de woning, namelijk als moestuin, en in zoverre wordt voldaan aan de definitie van erf, wordt niet voldaan aan het eveneens daarin neergelegde vereiste dat de bestemming deze inrichting niet verbiedt. Volgens het bestemmingplan rust op dit perceel een agrarische bestemming, zodat de inrichting als moestuin op grond van het plan niet is toegestaan. De omstandigheid dat gebruik van het perceel als moestuin onder de beschermde werking van het overgangsrecht valt maakt dat niet anders, omdat de in het Bblb neergelegde uitzonderingen op de hoofdregel dat voor bouwen een bouwvergunning benodigd is beperkt moeten worden uitgelegd en het gebruiksovergangsrecht er niet toe strekt een bouwwerk in afwijking van het bestemmingsplan mogelijk te maken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de perceelafscheiding niet vergunningsvrij is. Het betoog faalt.