ECLI:NL:RVS:2007:BB8147
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Onontvankelijkheid beroep wegens voortduring ongewenstverklaring vreemdeling
De zaak betreft een vreemdeling die een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had ingediend, welke door de minister werd afgewezen. Tegelijkertijd was de vreemdeling ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, mede vanwege toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
De vreemdeling stelde beroep in tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning, maar de Raad van State oordeelde dat zolang de ongewenstverklaring voortduurt, de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling van dat beroep omdat het niet kan leiden tot rechtmatig verblijf. De tegenwerping van artikel 1F kan in een aparte procedure tegen de ongewenstverklaring worden behandeld.
De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, maar de Raad van State vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Indien de ongewenstverklaring zou vervallen, kan de vreemdeling een nieuwe aanvraag indienen of verzoeken om heroverweging.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest benadrukt het belang van het procesbelang bij samenloop van besluiten en bevestigt dat een ongewenstverklaring het rechtmatig verblijf uitsluit.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege voortduring van de ongewenstverklaring.