Uitspraak
200603802/1, wordt rechtmatig verblijf op de voet van het EG-Verdrag en de daaruit voortvloeiende Verordeningen en Richtlijnen daaraan rechtstreeks ontleend, onafhankelijk van de afgifte door de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van enig document, dat slechts het bestaan van dit recht bevestigt. Appellant beschikt als werknemer van de EG, dan wel als burger van de Europese Unie op grond van het gemeenschapsrecht onder bepaalde voorwaarden over een recht van verblijf in Nederland. De omstandigheid dat appellant staat geregistreerd onder de verblijfstitelcode 30 is in dat verband niet van belang.
200203476/1(JB 2003/263) dienen de autoriteiten van de lidstaten op grond van het beginsel van gemeenschapstrouw, verwoord in artikel 10 van Pro het EG-Verdrag, met elkaar in overleg te treden met het oog op een nuttige toepassing van het gemeenschapsrecht. Dit geldt des te meer voor autoriteiten binnen een lidstaat. Hoewel het de primaire verantwoordelijkheid is van de Staatssecretaris van Justitie (voorheen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven, ligt het op de weg van de minister, belast met de toepassing van artikel 10 van Pro de Hsw, om, aan de hand van de door appellant verstrekte en zonodig alsnog te verstrekken informatie, in overleg met de Staatssecretaris van Justitie genoegzaam te onderzoeken of appellant aan het gemeenschapsrecht een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen. De minister mocht daartoe niet volstaan met het opvragen van de verblijfstitelcode en het telefonisch bij de IND informeren of deze code correct is.