ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3855
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- J.F. Bandringa
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
EU-burger kan recht op bijstand hebben indien verblijfsrecht niet is beëindigd
Appellant, een Belgische EU-burger, vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Groningen wees de aanvragen af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor bijstand, onder meer vanwege het ontbreken van een ononderbroken verblijf van vijf jaar in Nederland.
De voorzieningenrechter verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. Appellant stelde dat hij rechtmatig in Nederland verbleef op basis van EU-recht en verwees naar het arrest Lassal van het Hof van Justitie. Hij voerde aan dat het college hem ten onrechte niet in de gelegenheid had gesteld zijn verblijf aan te tonen.
De Raad oordeelde dat het college niet zelfstandig kan vaststellen of appellant rechtmatig verblijf had en dat het college in overleg met de bevoegde bewindspersoon moet treden. Door dit na te laten, zijn de besluiten onzorgvuldig voorbereid en berusten zij op een onjuiste grondslag.
Daarom vernietigt de Raad de bestreden besluiten en draagt het college op binnen zes weken nieuwe besluiten op bezwaar te nemen, waarbij opnieuw op de aanvragen wordt beslist. De Raad kan zelf niet bepalen of en in welke mate appellant recht op bijstand heeft.
Uitkomst: De bestreden besluiten worden vernietigd en het college wordt opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen.