Uitspraak
200509701/1, AB 2006, 304, is de Afdeling, anders dan de voorzieningenrechter, van oordeel dat appellant zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet hij maar de Minister voor Vreemdelingzaken en Integratie de aangewezen instantie is om na te gaan of en in hoeverre [wederpartij] uit hoofde van een zodanig verblijfsrecht rechtmatig in Nederland verblijft. Het had, onder de gegeven omstandigheden, evenwel op de weg van appellant gelegen om, aan de hand van de door [wederpartij] verstrekte en zonodig alsnog te verstrekken informatie, inlichtingen in te winnen bij de Minister voor Vreemdelingzaken en Integratie over de mate waarin er rekening mee moet worden gehouden dat [wederpartij] ook op de peildatum haar rechtmatig verblijf ontleende aan het EG-verdrag en daarop gebaseerde regelingen.