ECLI:NL:RVS:2006:AZ4215
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R.W.L. Loeb
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf bij gezinshereniging met Nederlander
Appellante verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging met haar partner, die de Nederlandse nationaliteit bezit. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag af wegens het niet voldoen aan de inkomenseisen zoals gesteld in het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Raad van State. Appellante voerde aan dat het onderscheid in inkomenseisen tussen gezinshereniging met Nederlanders en met onderdanen van derde landen in strijd is met de EU-richtlijn 2003/86 en het non-discriminatie- en evenredigheidsbeginsel.
De Raad van State oordeelde dat de inkomenseisen in het Vreemdelingenbesluit 2000 niet bedoeld zijn als omzetting van de richtlijn voor gezinshereniging met Nederlanders, aangezien de richtlijn niet van toepassing is op burgers van de Unie. De mededeling in de Vreemdelingencirculaire dat de richtlijn op overeenkomstige wijze zou worden toegepast op gezinshereniging met Nederlanders is in strijd met het Vreemdelingenbesluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet voldoen aan de inkomenseisen bij gezinshereniging met een Nederlandse partner.