ECLI:NL:RBSGR:2006:AX7212
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning gezinsvorming wegens onvoldoende middelen van bestaan
Eiseres, een Israëlische staatsburger, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf en later een verblijfsvergunning voor gezinsvorming met haar partner, een Nederlandse referent. Verweerder wees het verzoek af omdat de referent niet kon aantonen over voldoende en duurzaam beschikbare middelen van bestaan te beschikken, conform de inkomenseis van 120% van het minimumloon.
Eiseres voerde aan dat de beoordeling ten onrechte plaatsvond op het moment van aanvraag en dat de heffingskorting ten onrechte niet werd meegeteld bij het inkomen van de referent. De rechtbank oordeelde dat de heffingskorting niet relevant is voor de beoordeling en dat het inkomen op het moment van aanvraag of beschikking moet worden vastgesteld.
Verder stelde eiseres dat de inkomenseis in strijd was met de EU-richtlijn gezinshereniging 2003/86/EG. De rechtbank stelde dat hoewel de richtlijn niet rechtstreeks op de referent van toepassing is, de Nederlandse regelgeving deze richtlijn overeenkomstig toepast. De inkomenseis van 120% van het minimumloon is volgens de rechtbank niet in strijd met de richtlijn.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht afzag van het horen van eiseres in bezwaar omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet aan een partij toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzend besluit tot verlening van een verblijfsvergunning gezinsvorming wordt ongegrond verklaard.