Uitspraak
200602901/1, JV 2006/396) bestaat geen grond voor het oordeel dat de beleidsregels kennelijk onredelijk zijn, omdat in het algemeen als uitgangspunt geldt dat de voorzieningen eindigen, wanneer onherroepelijk op de (eerste) asielaanvraag is beslist en geen plicht bestaat tot het verstrekken van leefgeld aan meerderjarige ex-ama's. Terecht klaagt appellant dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat de minister slechts een uitzondering op het beleid hanteert indien sprake is van een acute medische noodsituatie, een te beperkte uitleg heeft gegeven, nu de minister ter zitting van de Afdeling heeft betoogd, dat de acute medische noodsituatie slechts als voorbeeld van een bijzondere omstandigheid is bedoeld en dat ook andere omstandigheden tot afwijking kunnen nopen, zij het dat daartoe slechts heel zelden aanleiding zal zijn. De klacht kan evenwel niet tot het beoogde doel leiden, nu - anders dan appellant betoogt - van bijzondere omstandigheden niet is gebleken. Daartoe stelt de Afdeling voorop dat gesteld noch gebleken is dat appellant, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, zich in een acute medische noodsituatie bevindt. Voorts heeft de minister de door appellant gestelde omstandigheid dat hij niet naar zijn land van herkomst kan terugkeren, wat daar ook van zij, terecht niet aangemerkt als zodanig uitzonderlijk, dat zij geacht moet worden niet bij de vaststelling van het gevoerde beleid te zijn voorzien en daarom tot afwijking hiervan kan nopen. Evenzeer heeft de minister terecht geen aanleiding gezien de omstandigheid dat appellant, naar hij stelt, voldoende heeft meegewerkt aan zijn terugkeer als bijzondere omstandigheid aan te merken. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat volgens de beleidsregels, gelet op de datum van de laatste beslissing in de asielprocedure, het al dan niet meewerken aan terugkeer in de onderhavige procedure geen rol speelt.