Uitspraak
200402518/1, kan de intrekking van een gedoogverklaring in de regel niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden aangemerkt. Een dergelijke beslissing houdt slechts de mogelijkheid in dat het betrokken bestuursorgaan handhavend zal optreden. Eerst wanneer tot handhavend optreden wordt besloten, concretiseert die mogelijkheid zich. Onder die omstandigheden kan aan een beslissing tot intrekking van een gedoogverklaring geen zelfstandige betekenis worden toegekend, behoudens bijzondere gevallen. Nu The Fatman geen bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld heeft gesteld, kan de mededeling dat tot intrekking van de gedoogverklaring wordt overgegaan niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. De rechtbank heeft besluit I, waarbij de bezwaren van The Fatman met betrekking tot de intrekking van de gedoogverklaring niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat deze niet zijn gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, ten onrechte vernietigd.