Uitspraak
200103688/1, heeft de Afdeling dit besluit op een aantal onderdelen vernietigd.
200301877/1, waarin is geoordeeld dat artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM - voor zover de in het bestemmingsplan neergelegde beperkingen van het gebruik van recreatiewoningen al zijn aan te merken als aantasting van het recht op ongestoord genot van het eigendom - de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, onverlet laat. De ter plaatse geldende bestemmingsplanregeling is een zodanige regulering. Voor zover het in het bestemmingsplan opgenomen gebruiksverbod kan worden beschouwd als een inmenging in de rechten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, EVRM, heeft de Afdeling in genoemde uitspraak overwogen dat deze haar wettelijke grondslag vindt in de WRO en in op grond van die wet, onder andere door het gemeentebestuur, nader vastgestelde regelgeving, daaronder begrepen een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van Pro de WRO. Ingevolge laatstgenoemde bepaling stelt de gemeenteraad voor het gebied, dat niet tot de bebouwde kom behoort - zoals hier aan de orde - een bestemmingsplan vast, waarbij, voor zover dit ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening nodig is, de bestemming van de in het plan begrepen gronden wordt aangewezen en zonodig, in verband met de bestemming, voorschriften worden gegeven omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. Het in het bestemmingsplan opgenomen verbod de gronden in strijd met de toegekende bestemming voor permanente bewoning te gebruiken is derhalve bij wet voorzien en moet worden aangemerkt als noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land en de rechten en vrijheden van anderen, waarbij een billijke afweging heeft plaatsgevonden tussen de belangen van het individu enerzijds en genoemde belangen van de gemeenschap als geheel anderzijds. Overigens merkt de Afdeling op dat ook op grond van het voorgaande bestemmingsplan het gebruik van de gronden voor permanente bewoning was verboden, zodat het bestreden besluit van verweerder geen verandering met zich brengt in de rechtspositie van appellanten ten aanzien van dat gebruik.