Uitspraak
200102400/1(BR 2002, p. 1044), waaruit blijkt dat het in artikel 40, eerste lid, van de Wow neergelegde verbod om te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders zich uitsluitend richt tot de bouwer.
200102400/1(BR 2002, p. 1044), leiden er niet toe dat appellante niet als overtreder van het verbod van artikel 40 Wow Pro kan worden aangemerkt. Weliswaar wordt in deze uitspraken overwogen dat het in artikel 40, eerste lid, van de Wow neergelegde verbod om te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders zich uitsluitend richt tot de bouwer, maar dit wil niet zeggen dat als bouwer uitsluitend diegene moet worden verstaan die daadwerkelijk zelf heeft gebouwd. Ook degene die een opdracht heeft gegeven tot de bouw kan hieronder worden begrepen. Zoals eerder door de Afdeling is overwogen, onder meer in de uitspraak van 3 juli 2002, in zaak no.
200102807/1(AB 2002, 311), dient de opdrachtgever te worden beschouwd als eindverantwoordelijke in juridische zin. Als overtreder van het voorschrift moet worden aangemerkt diegene die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden en die het in zijn macht heeft om aan de illegale situatie een eind te maken. Nu niet valt in te zien dat appellante, die opdracht heeft gegeven tot het plaatsen van de dakreclame, niet in staat zou zijn die dakreclame te (doen) verwijderen, is de voorzieningenrechter terecht tot de conclusie gekomen dat appellante in haar hoedanigheid van opdrachtgever kan worden aangemerkt als overtreder van het bouwverbod en dat zij het in haar macht heeft de haar opgelegde last uit te voeren. Appellante kan daarom worden aangemerkt als overtreder van artikel 40 van Pro de Wow.