ECLI:NL:RVS:2005:AT8446

Raad van State

Datum uitspraak
29 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200406974/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 6:24 AwbArt. 7:10 AwbArt. 6 EVRMArt. 6:2 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake huursubsidie terugvordering en betalingsregeling

De zaak betreft een geschil over de terugvordering van huursubsidie over het jaar 1996/1997 aan een wederpartij. De Minister stelde bij besluit van 17 mei 2000 de huursubsidie vast en vorderde een deel terug. Na bezwaar werd een terugbetalingsregeling vastgesteld, die later werd gewijzigd bij een besluit van 25 september 2003. De rechtbank Maastricht vernietigde dit besluit wegens onbevoegdheid en overschrijding van de redelijke termijn bij de bezwaarprocedure.

De Minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de behandeling van het bezwaar inderdaad niet binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden, maar dat dit geen nadeel voor de wederpartij opleverde. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven daarom in stand op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover deze geen toepassing gaf aan artikel 8:72, derde lid, en bevestigde het vonnis voor het overige. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak onderstreept het belang van redelijke termijnen, maar ook de mogelijkheid om rechtsgevolgen van een vernietigd besluit in stand te laten als er geen nadeel is.

Uitkomst: De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

200406974/1.
Datum uitspraak: 29 juni 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 juli 2004 in het geding tussen:
appellant
en
[wederpartij], wonende te [woonplaats].
1.    Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2000 is de huursubsidie aan [wederpartij] te [plaats] over het subsidiejaar 1996/1997 vastgesteld op een bedrag van ƒ 2700,-- en is, gelet op de reeds aan appellante uitbetaalde huursubsidie, een bedrag van ƒ 1740,-- van [wederpartij] teruggevorderd.
Bij besluit van 4 december 2000 is ten aanzien van het voornoemde bedrag van ƒ 1740,-- een terugbetalingsregeling vastgesteld. Deze regeling hield in dat [wederpartij] ingaande 25 januari 2001 gedurende een periode van 25 maanden maandelijks een bedrag van ƒ 69,-- en de maand daarna een bedrag van ƒ 15,-- moest terugbetalen.
Bij besluit van 25 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) is het tegen laatstgenoemd besluit gemaakte bezwaar van [wederpartij] gegrond verklaard en is een nieuwe terugbetalingsregeling vastgesteld, welke inhoudt dat [wederpartij] op basis van een machtiging tot automatische incasso gedurende drie jaar maandelijks een bedrag van € 6,-- dient terug te betalen en dat na drie jaar de alsdan resterende schuld (€ 573,58) zal worden kwijtgescholden.
Bij uitspraak van 8 juli 2004, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 23 september 2004 zijn de gronden aangevuld. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij schrijven van 30 november 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2005, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, is verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, omdat dit onbevoegd is genomen. De rechtbank heeft verder - kort samengevat - overwogen dat appellant bij brief van 22 maart 2004 heeft meegedeeld dat hij het - door een ambtenaar die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is - genomen besluit geheel voor zijn rekening neemt. Toch heeft zij er van afgezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, omdat zij heeft geoordeeld dat de behandeling van het bezwaar geenszins heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM).
2.2.    Appellant heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb. De 10 weken termijn als bedoeld in artikel 7:10 van Pro de Awb was onvoldoende om op het bezwaar te beslissen, anders zou die termijn in acht zijn genomen. De rechtbank heeft aldus appellant miskend dat er weliswaar sprake is geweest van een lange procesgang, maar dat dit geen enkel nadeel voor [wederpartij] heeft opgeleverd. Het geringe bedrag dat [wederpartij] ingevolge de bij het bestreden besluit gewijzigde betalingsregeling moet terugbetalen heeft zij gedurende de behandeling van haar bezwaar en beroep nog niet hoeven terug te betalen. Voor zover er al sprake zou zijn van enig subjectief nadeel, had [wederpartij], aldus appellant, bovendien de mogelijkheid om een procedure wegens fictieve weigering om op het bezwaar te beslissen aanhangig te maken, hetgeen zij heeft nagelaten.
2.3.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Het bestreden besluit is pas ruim tweeëndertig weken na de indiening van het bezwaarschrift genomen. De hele procesgang, gerekend vanaf het moment van het indienen van het bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 17 mei 2000, had reeds bij de rechtbank ongeveer drie en een half jaar bestreken. Thans is aan de totale duur nog ongeveer een jaar toegevoegd. Het gaat in dit geval om een niet ingewikkelde zaak, waarbij de procesgang niet door [wederpartij] is gefrustreerd en waarbij zich geen bijzondere en onvoorziene complicaties hebben voorgedaan. Dat appellant te kampen had met een grote werkvoorraad kan niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Dat [wederpartij] geen gebruik heeft gemaakt van de haar op grond van artikel 6:2 van Pro de Awb ten dienste staande mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het uitblijven van de beslissing op bezwaar teneinde de voortgang te versnellen, kan evenmin leiden tot de conclusie dat geen sprake was van het overschrijden van een "redelijke termijn" als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
2.4.    De vraag is vervolgens wat hiervan de consequenties dienen te zijn. De bij het bestreden besluit herziene betalingsregeling is een rechtstreeks uitvloeisel van de beslissing tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde huursubsidie, welke beslissing in rechte onaantastbaar is. Vast staat dat [wederpartij] over het teruggevorderde bedrag geen rente verschuldigd is. Gelijk appellant heeft betoogd, is in deze procedure verder bij gebreke van enige onderbouwing dienaangaande niet aannemelijk geworden dat [wederpartij] nadeel heeft ondervonden van de lange duur van de behandeling van haar zaak. Voor compensatie als door de rechtbank in de aangevallen uitspraak aangegeven bestond derhalve geen aanleiding. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
2.5.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat er reden is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
2.6.    De Afdeling zal derhalve de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij geen toepassing is gegeven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb en alsnog tot die toepassing overgaan. Nu het dictum van de aangevallen uitspraak verder juist is, aangezien de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, dient zij voor het overige te worden bevestigd.
2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 8 juli 2004, voor zover daarbij niet is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 september 2003 geheel in stand blijven;
IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en
mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak    w.g. Ouwehand
Voorzitter    ambtenaar van Staat
224.