ECLI:NL:RVS:2002:AE1108
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- M.P. Glerum
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inbewaringstelling wegens ongewenstverklaring in vreemdelingenrecht
Appellant is op 7 december 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van een ongewenstverklaring volgens artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het tegen deze bewaring ingestelde beroep ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij was gegaan aan bijzondere omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigen.
De Raad van State overwoog dat de rechtbank terecht was uitgegaan van de ongewenstverklaring als een gegeven dat volgens het beleid van de staatssecretaris de noodzaak tot inbewaringstelling meebrengt. Het bezwaar tegen de ongewenstverklaring en het verzoek om voorlopige voorziening hadden geen schorsende werking, waardoor geen bijzondere omstandigheden waren die een lichter middel rechtvaardigen.
Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 25 januari 2002.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de inbewaringstelling van appellant wegens ongewenstverklaring en verklaart het hoger beroep ongegrond.