ECLI:NL:RBZWB:2026:961

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
25/3023
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 6.2 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 4:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt overschrijding beslistermijn aanvullende compensatie toeslagen en legt dwangsom op

Eiseres heeft op 17 mei 2024 een aanvraag ingediend voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden beslist en heeft deze termijn onterecht verlengd of opgeschort.

De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling van eiseres, verzonden per e-mail op 22 mei 2025 aan de Commissie Werkelijke Schade (CWS), aannemelijk is gemaakt en dat verweerder niet heeft kunnen aantonen dat deze niet is ontvangen. De CWS wordt geacht de ingebrekestelling door te sturen naar verweerder, waardoor de beslistermijn is overschreden.

De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog moet beslissen, met een nadere beslistermijn van maximaal 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn. In dit geval moet verweerder uiterlijk 10 juli 2026 een besluit nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €15.000.

Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 16 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een nadere beslistermijn op tot 10 juli 2026 en een dwangsom van maximaal €15.000 aan verweerder op.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3023

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 17 mei 2024 om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
3. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 17 mei 2024 en verweerder heeft deze op dezelfde datum ontvangen. Verweerder moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Verweerder heeft de beslistermijn verlengd met zes maanden. [2]
3.1.
Verweerder stelt in het aanvullende verweerschrift dat de beslistermijn is opgeschort omdat eiseres, na indiening van haar aanvraag, is opgenomen in een alternatief traject ([traject]) dat kan leiden tot een vaststellingsovereenkomst en daarmee niet meer in de wachtrij staan voor afhandeling van hun schade bij de CWS.
3.2.
Het zich beraden over of beproeven van een minnelijke regeling hangende de behandeling van een aanvraag brengt op zichzelf niet mee dat de beslistermijn is opgeschort. Dat kan bijvoorbeeld anders zijn indien partijen dit anders afspreken. Niet gebleken is dat de beslistermijn in dit geval rechtsgeldig is opgeschort. [3]
3.3.
Verweerder had dus uiterlijk op 16 mei 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij.
3.4. Tussen partijen is in geschil of eiseres verweerder in gebreke heeft gesteld. De gemachtigde van eiseres stelt dat hij de ingebrekestelling per e-mail op 22 mei 2025 heeft verzonden naar het e-mailadres van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) waar ook het verzoek om aanvullende schadevergoeding moest worden ingediend. Verweerder geeft in het verweerschrift van 8 juli 2025 aan dat de ingebrekestelling niet is ontvangen, met verwijzing naar overgelegde interne correspondentie, en dat bij ontvangst van de ingebrekestelling door de CWS er geen doorzendplicht geldt omdat de CWS geen bestuursorgaan is. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiseres op 7 augustus 2025 een schermafbeelding van de e-mail overgelegd waarin, onder andere, de datum en het e-mailadres waarnaar de e-mail is verzonden staan. De e-mail betreft een begeleidend schrijven en de gemachtigde van eiseres stelt dat de ingebrekestelling als bijlage bij de e-mail is bijgevoegd. Verweerder heeft op 26 augustus 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend, maar in dit verweerschrift reageert hij niet op de schermafbeelding of met nieuwe stukken.
3.5.
De rechtbank overweegt dat het feit dat een e-mail een geadresseerde niet of niet volledig bereikt in beginsel voor rekening en risico van de verzender komt. Dit brengt mee dat, als door de geadresseerde wordt gesteld dat de verzonden e-mail niet is ontvangen, het op de weg van de verzender ligt de verzending aannemelijk te maken. Indien de verzender de verzending van de e-mail aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde het vermoeden dat de e-mail de geadresseerde heeft bereikt te ontzenuwen. [4]
3.6.
Na betwisting door verweerder van de ontvangst van de ingebrekestelling, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank met het overleggen van de schermafbeelding de verzending van de ingebrekestelling aan de CWS aannemelijk gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er vervolgens niet in is geslaagd om het vermoeden, dat de ingebrekestelling hem (via de CWS, zie overweging 3.7.) heeft bereikt, te ontzenuwen. Verweerder heeft namelijk niet meer op de schermafbeelding gereageerd. In het aanvullende verweerschrift had dat wel verwacht mogen worden, indien verweerder de ontvangst van de ingebrekestelling nog altijd zou betwijfelen.
3.7.
Ten aanzien van de door verweerder betwiste doorzendplicht van de CWS, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is er vanuit andere beroepszaken ambtshalve mee bekend dat wanneer de ingebrekestelling is ontvangen door de CWS, de CWS deze ingebrekestelling doorstuurt naar verweerder. [5] De rechtbank overweegt dat dat ook in dit geval verwacht mocht worden. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verweerder de ingebrekestelling heeft ontvangen. Na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 2 weken zijn verstreken.
3.8 Op grond van het voorgaande is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 8 oktober 2025 een zaak op zitting behandeld waarin verweerder ook niet op tijd heeft beslist op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van de Wht. De rechtbank heeft op 5 november 2025 uitspraak gedaan in deze zaak en bepaald dat de lijn die in die uitspraak is uitgezet, geldt voor alle uitspraken die vanaf dat moment worden gedaan in (opvolgende) beroepen over het niet op tijd nemen van een besluit op een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade door verweerder in het kader Wht. [6] De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van deze uitspraak. De lijn van deze rechtbank komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na de datum van het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van (maximaal) 52 weken. Dit geldt zowel bij eerste als bij opvolgende beroepen. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 16 mei 2025 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 10 juli 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op uiterlijk op 10 juli 2026 na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 16 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Artikel 6.2, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.
3.Artikel 4:15 van Pro de Awb.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3254 en de CRvB van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2784.
5.Vergelijk ook de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:2110.