ECLI:NL:RBZWB:2026:866

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
25/2804 PW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 ParticipatiewetArt. 6 EVRMArt. 17 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor griffierecht in tuchtprocedure

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor het griffierecht in verband met een procedure bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Het college stelde de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling vanwege het ontbreken van benodigde informatie. Na bezwaar heeft het college de aanvraag inhoudelijk beoordeeld en afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de procedure noodzakelijk is.

Eiser voerde aan dat het college onrechtmatige eisen stelde en dat bijzondere bijstand voor griffierechten een objectieve kostenpost is die niet inhoudelijk getoetst mag worden. Ook stelde hij dat het college zijn toegang tot het Tuchtcollege onrechtmatig beperkte en dat de besluitvorming onzorgvuldig was vanwege een vermeende belangenverstrengeling.

De rechtbank oordeelt dat zij niet bevoegd is om te oordelen over de klacht tegen de ambtenaar en dat het college terecht een terughoudende toets toepast bij de beoordeling van de noodzaak van de procedure. Omdat eiser geen nadere informatie heeft verstrekt over het doorlopen van de klachtenprocedure bij de huisartsenpraktijk en de SKGE, kon het college de noodzaak niet beoordelen en was afwijzing terecht.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser geen recht heeft op vergoeding van het griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Ponds op 11 februari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2804 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland(het college), verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor griffierecht. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor griffierecht. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 februari 2025 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 7 mei 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college eisers aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld en afgewezen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het college zijn gemachtigde, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1
Eiser heeft een aanvraag gedaan voor bijzondere bijstand voor het griffierecht dat hij verschuldigd is in verband met een procedure bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (Tuchtcollege).
3.2
Met het primaire besluit van 19 februari 2025 heeft het college deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat ook na herhaald verzoek eiser niet de benodigde gegevens verstrekt heeft.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3.3
Met het bestreden besluit van 7 mei 2025 heeft het college dit bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie, gegrond verklaard en eisers aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college stelt dat eisers aanvraag ten onrechte buiten behandeling is gesteld. Op het moment dat het primaire besluit genomen werd, was de fase waarin redelijkerwijs nog kon worden gesproken over een incomplete aanvraag gepasseerd. Het college wijst eisers aanvraag af omdat eiser de noodzakelijkheid van de procedure bij het Tuchtcollege, ondanks dat hij daartoe meermaals in de gelegenheid is gesteld, niet heeft aangetoond.
Beroep
4.1
Eiser stelt dat het college herhaaldelijk onrechtmatige eisen heeft gesteld, zoals het motiveren van de noodzaak van de procedure en het overleggen van bewijs van indiening van de klacht bij de Stichting Klachten en Geschillen Eerstelijnszorg (SKGE).
4.2
Uit rechtspraak volgt volgens eisers dat bijzondere bijstand voor griffierechten een objectieve kostenpost vormen. Gemeentes mogen de inhoudelijke merites van de onderliggende procedure niet toetsen. Toetsing van de noodzakelijkheid moet terughoudend zijn en mag niet verder gaan dan het vaststellen dat de procedure niet evident kansloos is. De jurisprudentie waar in het bestreden besluit naar wordt verwezen, ziet niet specifiek op tuchtprocedures.
4.3
Het college heeft met het stellen van de eis, dat de klacht eerst moet worden besproken met de zorgverlener of de SKGE, eisers vrije keuze om een juridische route te bewandelen onrechtmatig beperkt. Er is een ontoelaatbare inperking van eisers toegang tot de rechter en het Tuchtcollege. Dit is in strijd met artikel 6 van Pro het EVRM en artikel 17 van Pro de Grondwet.
4.4
Eiser wijst verder op de afhandeling van de formele klacht die hij heeft ingediend tegen mevrouw [naam] vanwege belangenverstrengeling, onzorgvuldige communicatie en onrechtmatige inmenging in juridische zaken. Als gevolg daarvan is onderhavige besluitvorming volgens eiser onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Eiser verzoekt de rechtbank om te bepalen dat [naam] wordt vervangen.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
6.1
De rechtbank overweegt allereerst over eisers grond over zijn klacht tegen [naam] dat zij in deze bestuursrechtelijke procedure niet kan oordelen over (de afwikkeling van) die klacht. Als eiser het daarmee niet eens is, kan hij zich wenden tot de Ombudsman, zoals ook is vermeld in de beslissing op zijn klacht van 20 augustus 2025. De bestuursrechter is evenmin bevoegd om te bepalen dat [naam] wordt vervangen vanwege belangenverstrengeling.
Het enige dat de rechtbank in deze procedure kan beoordelen is of het college op goede gronden geweigerd heeft om bijzondere bijstand voor griffierecht aan eiser toe te kennen.
6.2
Op grond van artikel 35 van Pro de Participatiewet (PW) kan recht bestaan op bijzondere bijstand. Bij de toepassing van dit artikel dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] is de noodzaak voor het maken van kosten van griffierecht in beginsel aanwezig indien krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. Indien van een toevoeging geen sprake is, dient het bijstandverlenend orgaan zich aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval zelfstandig een oordeel te vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om de gestelde noodzakelijkheid van de procedure van een toereikende onderbouwing te voorzien en aannemelijk te maken. Hierbij past niet een al te indringende toets van de noodzaak van de procedure. Het bijstandverlenend orgaan zal daarom terughoudendheid moeten betrachten bij de toetsing van de noodzaak van de procedure.
6.3
Eiser heeft gesteld dat griffierecht een objectieve kostenpost is en dat dat uit rechtspraak blijkt. De rechtbank heeft dat echter niet kunnen afleiden uit gepubliceerde rechtspraak. De door eiser genoemde uitspraken zijn niet gepubliceerd c.q. bestaan niet. Uit de rechtspraak blijkt alleen de hiervoor onder r.o. 6.2 vermelde toets.
6.4
Het college heeft gesteld dat de procedure bij het Tuchtcollege betrekking heeft op een klacht tegen een huisarts. De huisartsenpraktijk biedt zelf de mogelijkheid om een klacht bespreekbaar te maken. Wordt er niet uitgekomen dan kan de klacht worden voorgelegd aan de SKGE. Het college heeft aan eiser gevraagd of van deze mogelijkheid gebruik is gemaakt en wat de uitkomst is. Met deze vraag is volgens het college beoogd op een niet te indringende wijze de noodzakelijkheid van de procedure en kosten te beoordelen. Eiser heeft echter geen antwoord gegeven op de vraag zodat de noodzaak niet beoordeeld kan worden.
6.5
Niet in geschil is dat aan eiser voor de procedure bij het Tuchtcollege geen toevoeging is verleend voor rechtsbijstand. Het college diende zich daarom een zelfstandig oordeel te vormen over de noodzaak van die procedure. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, in dat kader, aan eiser kunnen vragen of hij de (klacht)procedure bij de huisartsenpraktijk en de SKGE gevolgd heeft. Daarmee is niet gevraagd naar de (medische) inhoud van de klacht en deze toets is niet indringend van aard. Deze vraag valt dus binnen de terughoudende toetsing door het college. Eiser heeft alleen aangegeven dat hij een procedure bij het Tuchtcollege wil starten in verband met medische nalatigheid. Op verdere vragen van het college heeft eiser niet geantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college doordat eiser, ondanks verzoek, geen verdere informatie heeft verstrekt de noodzaak niet kunnen beoordelen en terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de procedure bij het Tuchtcollege noodzakelijk is.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank komt tot de slotsom dat het besluit van het college, waarbij eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor griffierecht is afgewezen, standhoudt. Het beroep is daarom ongegrond. Als gevolg hiervan heeft eiser geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 11 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: relevante wetgeving

Participatiewet
Artikel 35
1. Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 6 september 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2021) en 8 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2814)