Appellant heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn meerdere aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand voor griffierechtkosten in verband met negen tuchtrechtelijke klachten tegen advocaten en voor tandartskosten. Het college wees deze aanvragen af omdat de kosten niet als noodzakelijke kosten van het bestaan werden beschouwd en de tandartskosten onder de Zorgverzekeringswet vielen.
De rechtbank Zutphen verklaarde de beroepen tegen de meeste besluiten ongegrond en vernietigde twee besluiten wegens te late indiening, maar handhaafde de afwijzing van de tandartskosten. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de procedures noodzakelijk waren, mede omdat de klachten door de dekens grotendeels ongegrond of niet-ontvankelijk waren verklaard.
Ook voor de tandartskosten werd geoordeeld dat geen zeer dringende redenen waren aangetoond, mede doordat appellant onvoldoende meewerkte aan het tandheelkundig onderzoek. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de Participatiewet een gedecentraliseerde uitvoering kent.
De Raad bevestigde daarmee alle aangevallen uitspraken en wees het hoger beroep af. Proceskosten werden niet toegewezen, en de eerder verleende vrijstelling van griffierechtbetaling werd definitief gemaakt.