ECLI:NL:RBZWB:2026:840

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
23/11189
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en interne compensatie bij Mercedes Benz A-klasse

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €719 die was opgelegd vanwege een hogere CO2-uitstoot bij registratie van een Mercedes Benz A-klasse 180d. De inspecteur had de bruto BPM verhoogd, maar het bezwaar werd deels gegrond verklaard, waarna interne compensatie werd toegepast.

De rechtbank oordeelt dat het beroep op interne compensatie niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel, omdat de waardevermindering wegens schade niet eerder inhoudelijk was beoordeeld. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat de waardevermindering meer was dan normale gebruiksschade, mede gelet op leeftijd en kilometerstand van de auto.

De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Wel kent zij belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan €750 voor rekening van de inspecteur en €750 voor de Staat. Daarnaast worden proceskosten deels vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11189
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 719 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende deels gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam] , verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 9 november 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes Benz A-klasse 180d met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.203.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de bruto Bpm op een hoger bedrag moet worden vastgesteld in verband met een hogere CO2-uitstoot waardoor de verschuldigde Bpm € 2.008 bedraagt, te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 86. Hij heeft vervolgens een naheffingsaanslag opgelegd.
3.3.
Het bezwaar van belanghebbende is met betrekking tot de CO2-uitstoot gegrond verklaard. De inspecteur heeft in de bezwaarfase interne compensatie toegepast omdat de naheffingsaanslag alleen was opgelegd in verband met een hogere CO2-uitstoot en het taxatierapport van belanghebbende niet eerder was beoordeeld. De naheffingsaanslag is daarom in stand gelaten.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de inspecteur een beroep kan doen op interne compensatie en zo ja, of bij het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte een waardevermindering wegens schade in aanmerking is genomen. Verder is in geschil de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat.
4.1.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de bruto Bpm kan worden vastgesteld op € 7.006 en de historische nieuwprijs op € 44.343.
Interne compensatie
4.2.
Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur de bruto Bpm verhoogd in verband met een hogere CO2-uitstoot. Hij heeft de waardevermindering wegens schade niet beoordeeld en overgenomen uit de aangifte van belanghebbende. De inspecteur is in de uitspraak op bezwaar tegemoet gekomen aan belanghebbende door de bruto Bpm te verlagen. Hij heeft daarbij interne compensatie toegepast en gesteld dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte rekening is gehouden met het volledige bedrag aan waardevermindering wegens schade. De naheffingsaanslag is gelet daarop toch niet te hoog vastgesteld volgens de inspecteur.
4.3.
Belanghebbende heeft gesteld dat het beroep op interne compensatie van de inspecteur in dit geval in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Zij is van mening dat de inspecteur feitelijk akkoord is gegaan met het taxatierapport en dat de daarin opgenomen waardes akkoord waren bevonden.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij belanghebbende gewekt vertrouwen en andere beginselen van behoorlijk bestuur kunnen aan een beroep op interne compensatie in de weg staan. Echter, naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval geen sprake van. In de kennisgeving van de naheffingsaanslag is alleen de wijziging van de CO2-uitstoot vermeld en is niets vermeld met betrekking tot de waardevermindering wegens schade. De rechtbank is daarom van oordeel dat bij belanghebbende niet het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de overige posten van de aangifte, zoals de handelsinkoopwaarde en de waardevermindering wegens schade, inhoudelijk waren beoordeeld. Er is dan geen sprake van opgewekt vertrouwen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank zal daarom het beroep op interne compensatie inhoudelijk beoordelen.
4.5.
Met betrekking tot de in aanmerking genomen waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank als volgt.
4.6.
De taxateur van belanghebbende heeft aan de auto schade geconstateerd en daarvan 72% in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto drie jaar en vijf maanden oud is en 97.860 kilometer heeft gereden.
Hoogte naheffingsaanslag
4.7.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank reeds tot de conclusie dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is opgelegd. De stellingen van de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport en de hoogte van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat hoeven dan geen behandeling meer.
Immateriële schadevergoeding
4.8.
Belanghebbende heeft op 27 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 23 augustus 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 10 februari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 18 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.10.
Omdat de bezwaarfase afgerond 15 maanden heeft geduurd en daarmee 9 maanden te lang, komt € 750 (9/18e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 750) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [1] , wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur en de Staat moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [2] , echter op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 750;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade van € 750;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
2.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.