ECLI:NL:RBZWB:2026:833
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag BPM na geschil over afschrijvings- en waarderingsmethode
Belanghebbende heeft tegen naheffingsaanslagen BPM voor twee voertuigen beroep ingesteld nadat de inspecteur de aanslagen had opgelegd na hertaxatie door Dienst Domeinen Roerende Zaken. De kern van het geschil betrof de toepasbaarheid van de herleidingsmethode, de juiste afschrijvingsmethode en de vaststelling van de handelsinkoopwaarde en historische nieuwprijs.
De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet slaagt op grond van het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, waardoor de afschrijving niet op basis van taxatierapporten kan plaatsvinden. De koerslijstmethode wordt daarom toegepast voor beide voertuigen.
Verder stelt de rechtbank de historische nieuwprijs vast op €130.057 voor auto 1 en €134.236 voor auto 2, waarbij de handelsinkoopwaarde wordt vastgesteld op respectievelijk €53.354 en €56.362. De rechtbank volgt de inspecteur niet in diens stelling dat het afschrijvingspercentage gelijk moet blijven aan dat van de referentieauto. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot €6.357.
Belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan €353 voor rekening van de inspecteur en €1.147 voor rekening van de Staat. Daarnaast wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal €3.200.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €6.357 en belanghebbende krijgt immateriële schadevergoeding en proceskosten toegekend.