ECLI:NL:RBZWB:2026:833

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
23/3932 en 23/3933
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 8 Wet BPMArt. 27h lid 3 AWRArt. 28 lid 7 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM na geschil over afschrijvings- en waarderingsmethode

Belanghebbende heeft tegen naheffingsaanslagen BPM voor twee voertuigen beroep ingesteld nadat de inspecteur de aanslagen had opgelegd na hertaxatie door Dienst Domeinen Roerende Zaken. De kern van het geschil betrof de toepasbaarheid van de herleidingsmethode, de juiste afschrijvingsmethode en de vaststelling van de handelsinkoopwaarde en historische nieuwprijs.

De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet slaagt op grond van het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, waardoor de afschrijving niet op basis van taxatierapporten kan plaatsvinden. De koerslijstmethode wordt daarom toegepast voor beide voertuigen.

Verder stelt de rechtbank de historische nieuwprijs vast op €130.057 voor auto 1 en €134.236 voor auto 2, waarbij de handelsinkoopwaarde wordt vastgesteld op respectievelijk €53.354 en €56.362. De rechtbank volgt de inspecteur niet in diens stelling dat het afschrijvingspercentage gelijk moet blijven aan dat van de referentieauto. De naheffingsaanslag wordt verminderd tot €6.357.

Belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan €353 voor rekening van de inspecteur en €1.147 voor rekening van de Staat. Daarnaast wordt de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal €3.200.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €6.357 en belanghebbende krijgt immateriële schadevergoeding en proceskosten toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/3932 en 23/3933
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V. ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 juni 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.567 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [persoon] , verbonden aan [B.V.] , en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepen gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

Zaaknummer 23/3932
3. Belanghebbende heeft op 29 april 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Range Rover Velar 2.0 P300 Turbo AWD R-Dynamic met [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 6.747.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm voor auto 1 € 9.858 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.
Zaaknummer 23/3933
3.3.
Belanghebbende heeft op 10 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW X6 xDrive40i met [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 7.459.
3.4.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.5.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm voor auto 2 € 10.915 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.
4.1.
Voor auto 2 is ook de hoogte van de historische nieuwprijs in geschil. Voor auto 1 is niet meer in geschil dat de historische nieuwprijs € 130.057 bedraagt.
Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Afschrijvingsmethode
4.2.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [2]
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
4.3.
De taxateur van belanghebbende heeft aan beide auto’s schade geconstateerd en daarvan 85% in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Daarnaast heeft hij nog een correctie wegens een schadeverleden in aanmerking genomen. De taxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto’s geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.4.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapporten en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van de taxatierapporten en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking beide auto’s twee jaar oud zijn en bijna 29.000 respectievelijk bijna 18.000 kilometer hebben gereden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een waardevermindering wegens eens schadeverleden in aanmerking te nemen aangezien dit door belanghebbende verder niet is onderbouwd. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot de taxatierapporten heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
4.5.
Het voorgaande brengt met zich dat de afschrijving voor de auto’s in het onderhavige geval niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade. Belanghebbende heeft voor dat geval een beroep gedaan op de koerslijstmethode. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat auto 1 niet voorkomt in een koerslijst zodat de taxatiemethode van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dit voldoende gemotiveerd bestreden en bovendien blijkt dit verder ook niet uit de stukken. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook voor auto 1 de koerslijstmethode van toepassing is.
Historische nieuwprijs
4.6.
Tussen partijen is ter zitting komen vast te staan dat de historische nieuwprijs voor auto 1 € 130.057 bedraagt.
4.7.
Met betrekking tot auto 2 leidt de rechtbank uit de stukken af dat beide partijen uitgaan van een netto catalogusprijs van € 89.682. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs daarom vast op € 134.236 zoals door belanghebbende bepleit en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023. [3]
Handelsinkoopwaarde
4.8.
Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van respectievelijk € 53.354 en € 56.362 zoals volgt uit de koerslijsten van Xray die door DRZ bij de hertaxatie zijn gebruikt.
4.9.
De inspecteur stelt zich nader op het standpunt dat als de historische nieuwprijs van de auto’s hoger is dan van de referentieauto dit er tevens toe leidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto’s hoger is. De inspecteur stelt dat de hoogte van de handelsinkoopwaarde recht evenredig samen hangt met de verhoging van de historische nieuwprijs, omdat de mate van afschrijving gelijk is aan die van de referentieauto en het afschrijvingspercentage dus gelijk blijft.
4.10.
De rechtbank volgt de stelling van de inspecteur niet. De rechtbank vindt voor de stelling dat het afschrijvingspercentage gelijk moet zijn aan die van de referentieauto ook geen aanknopingspunten in het onder 5.5. vermelde arrest van de Hoge Raad, zoals de inspecteur heeft gesteld. De rechtbank leidt uit rechtsoverwegingen 3.2.3 en 3.4. van het arrest van de Hoge Raad juist het tegendeel af, te weten dat het afschrijvingspercentage niet per definitie gelijk blijft. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende wordt benaderd.
4.11.
Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de koerslijsten buiten beschouwing te laten gelet op het verschil in CO2-uitstoot tussen de auto’s en het referentievoertuig, zoals de inspecteur heeft gesteld. Uit interne correspondentie van de Belastingdienst die belanghebbende als nader stuk heeft overgelegd [4] , blijkt immers dat op grond van intern beleid kleinere verschillen in CO2-uitstoot toepassing van de koerslijst niet verhinderen.
4.12.
De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde voor auto 1 daarom vast op € 53.354 en voor auto 2 op € 56.362 zoals volgt uit de koerslijsten van Xray die bij de hertaxatie zijn gebruikt.
Hoogte naheffingsaanslag
4.13.
De rechtbank gaat voor auto 1 uit van een historische nieuwprijs van € 130.057, een handelsinkoopwaarde van € 53.354 en een bruto Bpm van € 23.802. De rechtbank stelt de verschuldigde Bpm voor auto 1 vast op € 9.764.
4.14.
Voor auto 2 gaat de rechtbank uit van een historische nieuwprijs van € 134.236, een handelsinkoopwaarde van € 56.362 en een bruto Bpm van € 25.721 zodat de verschuldigde Bpm voor auto 2 € 10.799 bedraagt.
4.15.
Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van respectievelijk € 6.747 en € 7.459 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 6.357.
Immateriële schadevergoeding
4.16.
Belanghebbende heeft op 24 augustus 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.17.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 14 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 10 februari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.18.
Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt € 353 (4/17e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.147) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200 voor beide zaken vanwege samenhang.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 6.357;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 353;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.147;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.
4.E-mail van 15 april 2024 met als titel “Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten”.
5.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.