ECLI:NL:RBZWB:2026:768

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
BRE 24/6263 t/m 24/6266
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:19 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroepen inzake dwangsombeschikking afgewezen

Belanghebbende had beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek tot ambtshalve vermindering en tegen een dwangsombeschikking wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De rechtbank had deze beroepen op 13 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

De rechtbank beoordeelt dat klachten over een niet tijdig vastgestelde dwangsombeschikking wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar geacht worden deel uit te maken van het beroep tegen die uitspraak. Dit betekent dat het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering tevens betrekking heeft op het dwangsombesluit, en dat het aandragen van klachten over het dwangsombesluit geen nieuwe procedure of aanvraag inhoudt.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam die deze uitleg bevestigt. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat de beroepen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard en verklaart het verzet ongegrond. De uitspraak van 13 december 2024 blijft daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/6263 t/m 24/6266

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 december 2024 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 13 december 2024 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard en het verzoek om een dwangsom heeft afgewezen.
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Procesverloop

2. De inspecteur heeft op 11 januari 2023 het verzoek om een dwangsom afgewezen (de dwangsombeschikking). Belanghebbende is op 3 februari 2023 daartegen in bezwaar gegaan.
2.1.
Op 22 mei 2023 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Holland. Die rechtbank heeft op 18 juli 2024 [1] beslist dat de inspecteur binnen twee weken moest beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking. Tegen deze uitspraak zijn partijen in beroep gegaan bij het Gerechtshof Amsterdam.
2.2.
Belanghebbende heeft met dagtekening 6 augustus 2024 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant beroepen ingesteld, omdat de inspecteur geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. De rechtbank heeft op 13 december 2024 de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.3.
Op 23 september 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan en de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland vernietigd. [2]

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 13 december 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [3] is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3.1.
Belanghebbende voert in verzet aan dat artikel 4:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht enkel toeziet op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom. De verschuldigdheid van een dwangsom is niet in de gronden van het bezwaar tegen het besluit op het verzoek om ambtshalve vermindering aan de orde gesteld. Om die reden kan niet tot een niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen worden overgegaan en had de rechtbank de inhoudelijke gronden moeten behandelen, aldus belanghebbende.
3.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.3.
De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.1 en 4.2 van de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 september 2025 in de zaken van belanghebbende. Hierin staat dat klachten over een (niet tijdig vastgestelde) dwangsombeschikking wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar worden geacht deel uit te maken van het beroep betreffende (het niet of niet tijdig doen van) die uitspraak. [4] Op dezelfde gronden worden klachten over een (niet tijdig vastgestelde) dwangsombeschikking wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar geacht deel uit te maken van het bezwaar tegen die dwangsombeschikking.
3.4.
Voorgaande betekent in het voorliggende geval dat het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van zijn verzoek tot ambtshalve vermindering tevens
betrekking heeft op het dwangsombesluit. Door het aandragen van klachten over het
dwangsombesluit, althans over het niet tijdig vaststellen ervan, is niet een aparte, tweede
bezwaarschriftprocedure gestart of een nieuwe aanvraag gedaan. De ingebrekestelling van
22 mei 2023 kan daarbij evenmin betrekking hebben gehad op het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar over de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering
(welk bezwaar dus mede betrekking heeft op het dwangsombesluit). Belanghebbende heeft
de inspecteur immers verzocht de behandeling van dat bezwaar aan te houden. [5]
3.5.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de verzet bestreden uitspraak terecht is overwogen dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn.

Conclusie en gevolgen

4. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 13 december 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier, op 9 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zaaknummer HAA 23/3629. De uitspraak is niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
2.Gerechtshof Amsterdam 23 september 2025, 24/3431, 24/3433, 24/3436 en 24/3437. De uitspraak is niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
3.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Dit volgt uit artikel 4:19, eerste lid van de Awb en Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787.
5.Rechtsoverweging 4.4 van de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam 23 september 2025, 24/3431, 24/3433, 24/3436 en 24/3437. De uitspraak is niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.