ECLI:NL:RBZWB:2026:6553

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/5355
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen afwijzing beroep op WOZ-beschikking en heffingsaanslagen wegens niet aannemelijke verdaging beslistermijn

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van Stichting belanghebbende tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin het beroep op de WOZ-beschikking en gelijktijdige aanslagen onroerendezaakbelasting, rioolheffing en watersysteemheffing ongegrond werd verklaard.

De kern van het geschil is of de beslistermijn door de heffingsambtenaar rechtsgeldig is verdaagd met een brief van 21 december 2023. Belanghebbende ontkent ontvangst van deze verdagingsbrief en stelt dat de ingebrekestelling prematuur was. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief is verzonden, waardoor de beslistermijn niet is verdaagd.

Als gevolg hiervan wordt het verzet gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vervalt en wordt het onderzoek hervat in de stand van voor die uitspraak. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en het onderzoek hervat; de heffingsambtenaar wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5355

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 op het verzet van

Stichting [belanghebbende ] , uit [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond heeft verklaard. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking voor het object [adres] in [plaats 2] en gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting, rioolheffing en watersysteemheffing met [aanslagnummer] .
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 12 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
Uitspraak 12 januari 2024
3. De rechtbank heeft in de uitspraak geoordeeld dat de heffingsambtenaar de verzending van de uitspraak op bezwaar niet aannemelijk heeft gemaakt en het beroep ontvankelijk is. De gronden van het beroep richten zich alleen op het verzoek om een dwangsom. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom. Bij brief van 21 december 2023 heeft de heffingsambtenaar de beslistermijn verdaagd met zes weken, waardoor de beslistermijn eindigde op 11 februari 2024. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 22 januari 2024 in gebreke gesteld. Op dat moment was de belsistermijn nog niet verstreken en is de ingebrekestelling prematuur.
Gronden van verzet
4. Gemachtigde voert in verzet aan dat hij geen verdagingsbrief heeft ontvangen. Pas bij het verweerschrift is hij bekend geraakt met de verdagingsbrief. Gemachtigde vindt het kwalijk dat de heffingsambtenaar niet heeft gereageerd op de ingebrekestelling en ook niet heeft laten weten dat het doen van uitspraak zou zijn verdaagd. De rechtbank is verder niet ingegaan op de herinnering ingebrekestelling van 14 mei 2024. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat uitspraak is gedaan op 22 februari 2024 en dus is de wettelijke dwangsom gaan lopen twee weken na 14 mei 2024.
Beoordeling van het verzet
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De rechtbank overweegt dat het op de weg ligt van de heffingsambtenaar om – nu belanghebbende de ontvangst van de verdagingsbrief ontkent – de stelling dat hij de brief heeft verzonden, aannemelijk te maken. Indien het een stuk betreft dat niet aangetekend is verzonden, zoals in dit geval, kan de heffingsambtenaar dat bewijs leveren door een administratie over te leggen waaruit blijkt dat en op welke datum het stuk is verzonden. [2]
5.2.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld om te reageren op de gronden van verzet. De heffingsambtenaar heeft niet gereageerd.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de verzending van de verdagingsbrief van 21 december 2023 niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit houdt in dat de beslistermijn niet is verdaagd. Het verzet is gegrond.

Conclusie en gevolgen

6. Uit de beoordeling van de gronden van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 12 januari 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, ongegrond was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat het beroep ongegrond is.
6.1.
De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 [3] . De rechtbank hanteert een lichte wegingsfactor, omdat het verzet uitsluitend gaat over de verdaging van de beslistermijn.

Beslissing

De rechtbank
 verklaart het verzet gegrond;
 veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175.
3.0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5.