ECLI:NL:RBZWB:2026:6507

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/3543
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:24 AwbArt. 8:36c AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens ontbreken machtiging en handelsregisteruittreksel bij beroepsinstelling namens rechtspersoon

Deze uitspraak betreft het verzet tegen een eerdere beslissing van de rechtbank waarin het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van een machtiging en een uittreksel uit het handelsregister bij de beroepsinstelling namens een rechtspersoon.

De rechtbank oordeelt dat iemand die namens een rechtspersoon optreedt, op verzoek een machtiging en een uittreksel van het handelsregister moet overleggen om de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen vaststellen. Omdat de gemachtigde dit niet heeft gedaan, kon de rechtbank niet beoordelen of de volmacht rechtsgeldig was, en werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De gemachtigde voerde in verzet aan dat hij geen notificatie had ontvangen en dat hij ernstige gezondheidsklachten had, waardoor het rappel over het hoofd was gezien. De rechtbank stelt echter vast dat de notificaties correct zijn verzonden en aangenomen mogen worden ontvangen. Bovendien is de gemachtigde een professionele rechtshulpverlener die passende voorzieningen had moeten treffen om termijnen te bewaken, ook bij ziekte.

Omdat de gemachtigde geen verschoonbare reden voor het verzuim heeft aangetoond en het verzuim niet is hersteld, verklaart de rechtbank het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3543

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] V.O.F., uit [plaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: [gesteld gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veere, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat gesteld gemachtigde geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft ingediend.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Gesteld gemachtigde is niet verschenen.
1.2
De griffie heeft op 21 april 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij gesteld gemachtigde is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan gesteld gemachtigde verzonden naar het door gesteld gemachtigde voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat gesteld gemachtigde dit bericht op 21 april 2026 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat gesteld gemachtigde correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 26 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.2
Iemand die namens een ander rechtspersoon beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging en een uittreksel van het handelsregister overleggen. [3] Aan de hand van een uittreksel van het handelsregister kan namelijk worden vastgesteld of degene die de volmacht heeft afgegeven bevoegd is de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen. Gesteld gemachtigde heeft in beroep geen uittreksel van het handelsregister overlegd. De rechtbank kon hierdoor niet beoordelen of de afgegeven machtiging is afgegeven door een daartoe bevoegde vennoot. Om die reden is het beroep zonder zitting niet-ontvankelijk verklaard. [4]
2.3
Gesteld gemachtigde stelt in zijn verzetschrift dat er geen signalering in zijn mailbox is aangetroffen van het rappel waarop de uitspraak van 26 januari 2026 op doelt. Gesteld gemachtigde stelt zich op het standpunt dat die signalering niet door de rechtbank is verzonden en dat het verzuim niet aan hem te wijten valt. Daarnaast geeft gesteld gemachtigde aan dat hij vorig jaar met ernstige gezondheidsklachten te kampen heeft gehad en dat mede daardoor komt dat het rappel in het portaal van de rechtbank over het hoofd is gezien, omdat het daar wel degelijk in is te vinden. Gesteld gemachtigde stelt tevens dat hij contact op zal nemen met de administratie van de rechtbank om na te gaan of er per e-mail wel een notificatie is verzonden en zo ja, wanneer en aan welk e-mailadres. Als er een notificatie is verzonden, dan zal gesteld gemachtigde contact opnemen met de provider om na te gaan wat er fout is gegaan.
2.4
De griffie heeft het rappel op 9 september 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende geplaatst. Van de plaatsing van het rappel is op dezelfde datum een notificatie aan gesteld gemachtigde verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven adres. Daarom neemt de rechtbank aan dat gesteld gemachtigde het rappel op 9 september 2025 heeft ontvangen. [5] Gesteld gemachtigde heeft geen uittreksel van de Kamer van Koophandel ingediend. De rechtbank beschikt over de verzonden notificatie. Gesteld gemachtigde heeft aangevoerd dat hij navraag zou doen bij zijn provider. De rechtbank heeft niets meer vernomen van gesteld gemachtigde. Het is daarom niet aannemelijk gemaakt dat de notificatie niet is ontvangen.
2.5
Gesteld gemachtigde stelt daarnaast dat hij in de periode dat het rappel is verzonden ernstige gezondheidsklachten had. Gesteld gemachtigde is een professionele rechtshulpverlener. Diens handelen komt in beginsel voor risico van de indiener. Aangenomen dat het gestelde ziektebeeld zich voordeed op het moment dat de correspondentie is verzonden en in Mijn Rechtspraak is geplaatst, leidt dit niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Van een professionele gemachtigde mag immers als uitgangspunt worden verwacht dat hij, ook in geval van ziekte of uitval, passende voorzieningen treft om termijnen te bewaken en zo nodig voor vervanging te zorgen. [6] Gesteld gemachtigde heeft het verzuim niet hersteld en geen voorzieningen getroffen om de termijn te bewaken of voor eventuele vervanging te zorgen. Om die reden is er geen verschoonbare reden voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

3. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 26 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
4.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.
5.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Awb
6.Vgl. College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 5.1.