ECLI:NL:RBZWB:2026:6378

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/1071
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 BbzArt. 2 BbzParticipatiewetBesluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bedrijfskapitaal en periodieke uitkering wegens niet-levensvatbaar bedrijf

Eiser diende een aanvraag in voor bedrijfskapitaal en een periodieke uitkering voor levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Het college van burgemeester en wethouders van Breda wees deze aanvraag af op basis van een advies van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK), dat concludeerde dat de onderneming niet levensvatbaar is.

Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onjuiste kostenposten, verkeerde duiding van een applicatie, onjuiste uitleg van het begrip 'funnel' en het ontbreken van actuele niche-specifieke data. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete en onderbouwde feiten had aangevoerd om het deskundigenadvies te betwisten.

De rechtbank bevestigde dat het college zich mocht baseren op het advies van het IMK en dat het besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

De uitspraak benadrukt het belang van objectieve onderbouwing bij het betwisten van deskundigenadviezen en bevestigt de criteria voor levensvatbaarheid van een bedrijf volgens het Bbz.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvraag wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1071 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om bedrijfskapitaal en een periodieke uitkering voor levensonderhoud op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Eiser is het daarmee niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bedrijfskapitaal en periodieke uitkering voor levensonderhoud. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 juni 2025 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 januari 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. Namens het college zijn [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet. Hij is voornemens om samen met zijn partner (mevrouw [persoon] ) een onderneming (‘ [onderneming] ’) te starten. De onderneming zou in eerste instantie starten binnen de tak ‘ [bedrijfstak] ’, wat gericht is op sport, herstel en sociale projecten. In dat kader hebben eiser en zijn partner zich gewend tot het college met een Bbz-aanvraag. Uit het ondernemingsplan blijkt dat de doelstelling van eiser is om zijn (reeds bestaande) activiteiten als voetbal- en mentale trainer te combineren met de verkoop van fysieke producten en zelfgecreëerde content (zoals e-books en online cursussen) en de inzet van een applicatie ‘ [applicatie] ’. Hierbij wil eiser een zogenaamde ‘funnel’ opbouwen die klanten naar de webshop en de digitale producten leidt. Uit het ondernemingsplan blijkt verder dat het eisers intentie is om het concept van ‘ [bedrijfstak] ’ later toe te passen op andere gebieden, zoals ‘ [expertisegebied] ’ (het expertisegebied van zijn partner die werkzaam is bij een nagelsalon).
3.1.
In eerste instantie heeft eiser een aanvraag gedaan voor een bedrijfskapitaal van
€ 10.000,- en een periodieke uitkering voor levensonderhoud voor een periode van 6 tot 12 maanden. Later heeft eiser het gewenste bedrijfskapitaal aangepast naar € 15.000,-.
3.2.
Naar aanleiding van deze aanvraag is, in opdracht van het college, door het adviesbureau Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) een onderzoek verricht naar de levensvatbaarheid van de onderneming van eiser. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in het rapport van 6 juni 2025. Het IMK is tot de conclusie gekomen dat de onderneming niet levensvatbaar is, omdat eiser zijn marktkansen en toegevoegde waarde sterk overschat en een te optimistisch beeld heeft van de omzetpotentie en winstmarges. Ook zou de veelheid aan toekomstige ideeën en plannen ten koste gaan van de focus en gerichtheid om de komende maanden met concrete afgebakende activiteiten winst te maken. Het IMK verwacht niet dat het toewijzen van het krediet zal leiden tot een inkomen dat toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in de kosten van het bestaan. Op basis van deze onderzoeksbevindingen wordt door het IMK geadviseerd de aanvraag voor een uitkering en krediet op grond van het Bbz af te wijzen.
3.3.
Met het besluit van 12 juni 2025 heeft het college de aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar voorgelegd aan het IMK. Op 5 december 2025 heeft het IMK gereageerd en is bij de conclusie gebleven dat de onderneming niet levensvatbaar is. Vervolgens is het college overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit.
Standpunt van het college
4. Volgens het college komt eiser niet in aanmerking voor bedrijfskapitaal en een periodieke uitkering voor levensonderhoud op grond van het Bbz. De reden daarvoor is dat de onderneming van eiser volgens het college en het IMK niet levensvatbaar is. Het college ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud of de zorgvuldigheid van het advies van het IMK, nu eiser geen andere, onderbouwde feiten en/of gewijzigde omstandigheden heeft aangevoerd.
Beroepsgronden
5. Eiser heeft aangevoerd dat het college de aangedragen inhoudelijke correcties in de bezwaarprocedure ten onrechte niet heeft gezien als nieuwe feiten of omstandigheden. Dit ziet met name op het hanteren van de onjuiste kostenposten, een verkeerde duiding van de applicatie, een verkeerde uitleg van het begrip ‘funnel’ en een gebrek aan actuele niche-specifieke data. Door deze punten niet inhoudelijk te beoordelen, heeft het college het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel geschonden. Verder heeft het college nagelaten om het advies van IMK zelfstandig te toetsen en te beoordelen of dit gebaseerd is op actuele, relevante en passende bronnen. Met de enkele verwijzing naar het advies en de aanvullende reactie van het IMK is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. In het advies van het IMK is ook sprake van een interne inconsistentie, nu het IMK de onderneming van eiser niet levensvatbaar acht, maar tegelijkertijd wel adviseert om deeltijd te starten, scholing te volgen en te investeren. Deze interne consistentie is door het college niet onderkend of gewogen hetgeen afdoet aan de zorgvuldigheid en motivering van het besluit. Tot slot heeft het college de belangen van eiser onvoldoende kenbaar afgewogen, met name ten aanzien van de door hem aangedragen correcties en omstandigheden.
Levensvatbaarheid van het bedrijf van eiser
6. Tussen partijen is in geschil of het bedrijf van eiser levensvatbaar is in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz. Nu het hier gaat om een aanvraag rust de bewijslast van levensvatbaarheid naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op eiser. [1] Daarbij is voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag, in dit geval op 12 juni 2025. Met eventuele ontwikkelingen na die datum wordt geen rekening gehouden.
6.1.
Een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz, het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. [2]
6.2.
Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB [3] is een bijstandverlenend orgaan gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming over vragen betreffende de levensvatbaarheid van startende ondernemingen te baseren op verkregen adviezen van deskundige instanties en kan het IMK als een zodanige instantie worden aangemerkt. Dit is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of aan de inhoud daarvan. Het is aan eiser om het rapport onderbouwd en gemotiveerd te betwisten. Dit kan bijvoorbeeld op basis van een onderbouwd advies van een andere ter zake deskundig te achten persoon of instantie.
Wat heeft eiser aangevoerd tegen de beoordeling van het IMK?
Onjuiste kostenposten
7. Eiser heeft aangevoerd dat hij is uitgegaan van een flexkantoor voor € 125,- per maand, wat neerkomt op € 1.500,- per jaar. Het IMK heeft dit verhoogd naar € 2.500,- per jaar. Ook de verkoop- en marketingkosten zijn verhoogd zonder daarbij rekening te houden met de aanpak van eiser (te weten bestaande accounts op social media, eigen gemaakte content en samenwerkingen). Daarnaast zouden de privé-onttrekkingen lager zijn dan het IMK veronderstelt. Hierdoor gaat het IMK uit van hogere kosten, waardoor de uitkomst voor eiser uiteindelijk negatiever uitvalt.
7.1.
Het IMK heeft hierop gereageerd door aan te geven dat onderzoek op internet uitwijst dat de vanaf-prijzen voor een flexkantoor iets hoger liggen. Ook zijn er vaak bijkomende kosten zoals servicekosten. Daarom is uitgegaan van een beperkt bedrag van
€ 2.500,- per jaar. Op basis van wat eiser aanvoert, heeft het IMK geen reden gezien om de toch al beperkte kostenbegroting verder neerwaarts bij te stellen. Ten aanzien van de privé-onttrekkingen is uitgegaan van de bijstandsnorm voor gehuwden van € 23.500,- per jaar. Rekening houdend met de parttime inkomsten van eisers partner van ongeveer € 5.000,- per jaar, zijn de privé-onttrekkingen berekend op € 18.000,- per jaar.
7.2.
Gelet op de toelichting van het IMK en de in aanmerking genomen bijkomende servicekosten is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd waarom uitgegaan moet worden van het bedrag van € 2.500,- per jaar. Eiser heeft niet met objectieve gegevens (zoals een contract of offerte) onderbouwd dat dit bedrag te hoog zou zijn. Verder blijkt uit het exploitatieoverzicht bij het advies van het IMK dat het IMK is uitgegaan van
€ 5.000,- aan verkoopkosten, terwijl eiser is uitgegaan van € 2.000,- voor marketing en promotie. Eiser heeft volgens het IMK verzuimd om rekening te houden met bedrijfskosten. Het IMK heeft de bedrijfskosten begroot op mondelinge informatie van eiser, informatie uit het dossier, marktanalyse, de branchegemiddelden en interne ervaringscijfers met betrekking tot dit bedrijfstype en de relatie van de kosten tot de verwachte bedrijfsdrukte. Eiser heeft daartegenover onvoldoende onderbouwd en/of gespecificeerd waarom uitgegaan zou moeten worden van € 2.000,-. Tot slot komt het de rechtbank redelijk voor dat het IMK is uitgegaan van noodzakelijke privé-onttrekkingen ter hoogte van de bijstandsnorm. Dat eiser mogelijk in de praktijk zuiniger leeft, is overigens ook niet onderbouwd. Het college mocht daarom uitgaan van de kostenposten zoals het IMK deze heeft gehanteerd.
Verkeerde duiding van de applicatie
8. Eiser sluit in beroep aan bij hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd met betrekking tot de verkeerde duiding van de applicatie. Het gaat niet om een technisch complexe applicatie, maar om een inhoudelijke mentale trainingsapplicatie. De softwarekosten kunnen intern of via goedkope alternatieven worden gerealiseerd. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij de applicaties zelf kan ontwerpen met behulp van AI, waardoor het IMK is uitgegaan van te hoge ontwikkelkosten.
8.1.
De rechtbank overweegt dat eiser niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd en/of gespecificeerd wat de ontwikkelkosten zouden zijn als hij de applicaties zelf ontwerpt. Gelet hierop is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de door het IMK gehanteerde ontwikkelkosten te hoog zijn.
Verkeerde uitleg van het begrip ‘funnel’
9. Eiser sluit in beroep aan bij hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd over een
verkeerde uitleg van het begrip ‘funnel’. De betekenis van een ‘funnel’ zoals toegepast in zijn ondernemingsplan is anders dan beschreven in het advies van het IMK.
9.1.
Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom eiser vindt dat het IMK een andere betekenis geeft aan het begrip ‘funnel’. Ter zitting heeft eiser daarover toegelicht dat zijn webwinkel door gebruik te maken van verschillende kanalen, waaronder social media, gemakkelijker te vinden zal zijn voor klanten. Uit de rapportage van het IMK blijkt echter dat het IMK ook rekening heeft gehouden met verschillende kanalen en platformen. Bovendien is niet gebleken of met objectieve gegevens onderbouwd dat eisers interpretatie van het begrip ‘funnel’ zou leiden tot een hogere omzet.
Gebrek aan actuele, niche-specifieke data
10. Eiser heeft aangevoerd dat het IMK geen concrete CBS-cijfers, niche-data, regionale cijfers of cijfers van vergelijkbare ondernemingen heeft gebruikt. De enige bron is een algemeen artikel uit 2023 wat niet aansluit bij zijn concept. Uit de CBS-cijfers blijkt dat de omzet van online detailhandel groeit. In het derde kwartaal van 2025 was de online omzet van de detailhandel 5,6% (of 7,8% bij winkels die alleen online verkopen) hoger dan een jaar eerder. Ook zijn er in Nederland meer webshops dan fysieke winkels, wat aantoont dat de online detailhandel een groeiende sector is.
10.1.
Het IMK heeft hierop gereageerd door aan te geven dat voor de analyse gebruik is gemaakt van uitgebreide bronnen, waaronder het CBS. Ook is gebruikgemaakt van data uit het IMK Kennisplatform, waarin ervaringscijfers van gelijksoortige bedrijven staan. Gangbare marges liggen tussen de 20 en 50%. Gelet hierop en de verdeling van eiser waarbij hij uitgaat van 2/3e winst door verkoop van fysieke producten en 1/3e winst door verkoop van e-books en online cursussen is het IMK uitgegaan van een brutowinstmarge van 60%. Dit is volgens het IMK een zeer hoge marge in deze branche met veel concurrentie.
10.2.
Uit de rapportage blijkt dat het IMK onderkend heeft dat webwinkels en online verkopen toenemen en dat platforms zoals Amazon, Bol of Wehkamp daarin een belangrijke rol kunnen spelen. Het IMK heeft bij de beoordeling ook gebruikgemaakt van CBS-cijfers, waarbij onder andere is gekeken naar de stijging van het aantal webwinkels tot en met 1 januari 2024. Eiser heeft niet voldoende inzichtelijk gemaakt dat de door het IMK gehanteerde cijfers leiden tot een onjuiste of ongeldige conclusie. Het IMK heeft vervolgens uiteengezet waarom het marktperspectief voor webshopactiviteiten beperkt is gelet op de kleine marges, de grote concurrentie en de dominantie van de grote spelers. Met de gegevens die eiser heeft aangeleverd over de groei van webshops en de online omzet in het algemeen is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd dat het uitgangspunt van het IMK niet juist is. Eiser heeft geen concrete of feitelijke informatie aangeleverd waaruit blijkt dat zijn onderneming meer dan 60% brutowinstmarge zou kunnen opleveren.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
11. Ten aanzien van de vergewisplicht (waarop eiser zich heeft beroepen), overweegt de rechtbank dat op het college geen verdergaande vergewisplicht rust dan te motiveren waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onderneming levensvatbaar is. [4] Aan deze eis heeft het college met de verwijzing naar het advies en de aanvullende reactie van het IMK voldaan. Dat, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, slechts sprake is van knip-en-plakwerk is de rechtbank niet gebleken. Hiertoe wordt overwogen dat het college heeft aangegeven dat het advies van het IMK is gebruikt als onafhankelijk deskundig advies, maar dat het college de beoordeling en de motivering zelf heeft gemaakt. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om hieraan te twijfelen.
11.1.
Het advies van het IMK om parttime ondernemerschap binnen het kader van de algemene bijstand verder te onderzoeken, acht de rechtbank gelet op eisers langdurige wens om te ondernemen en gezien de toelichting van het IMK niet tegenstrijdig. Zeker de webshop voor verkoop van fysieke producten kan zich daarvoor lenen. Naar het oordeel van de rechtbank is dus geen sprake van een niet gewogen of onderkende tegenstrijdigheid door het college en is het zorgvuldigheidsbeginsel daarmee niet geschonden.
Conclusie van de rechtbank
12. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende twijfel heeft gezaaid over de rapportage van het IMK en de conclusie over de levensvatbaarheid van zijn onderneming. Eiser heeft zijn stelling dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf niet met objectieve en feitelijke gegevens, zoals bijvoorbeeld een deskundig tegenadvies, onderbouwd. De punten die eiser tegen het advies van het IMK naar voren heeft gebracht, zijn geen concrete en onderbouwde aanknopingspunten die leiden tot twijfel aan de zorgvuldigheid of juistheid van dit advies. Daarbij overweegt de rechtbank dat de eigen verwachtingen van eiser over de te behalen omzet, commerciële aspecten en zijn kennis en kunde en daarmee de levensvatbaarheid van het bedrijf geen reden zijn voor het toekennen van algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. [5]
12.1.
Gelet hierop mocht het college zich baseren op het advies van het IMK en eisers aanvraag gelet op dit advies afwijzen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 13 juli 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
Artikel 1, aanhef en onder c
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan;
Artikel 2
1. Algemene bijstand kan worden verleend aan:
a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is;
b. de persoon of de echtgenoot van de persoon die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt en die een bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is;
c. de zelfstandige geboren voor 1 januari 1960, wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die het bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van 10 jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;
d. de zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is en die zich verplicht de activiteiten in het bedrijf of zelfstandig beroep zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 12 maanden, te beëindigen.
2. Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal kan slechts worden verleend aan de zelfstandige, bedoeld in de onderdelen a, b en c van het eerste lid.
3. Bijstandsverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking kan gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden worden voortgezet. In een zodanig geval:
a. zijn de artikelen 9, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, en 10 van de wet niet van toepassing;
b. is de belanghebbende verplicht mee te werken aan door het college aangewezen begeleiding.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:194 en meer recent van 19 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1250.
2.Zie Nota van Toelichting, Staatsblad 1995, 203.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 26 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3289 en van 19 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1552.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:67.
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 26 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3546