ECLI:NL:RBZWB:2026:6063

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/3889
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:94 AwbArtikel 29c Besluit bezoldiging politie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadeverzoek wegens niet aannemelijk gemaakte schade door onrechtmatig besluit RVU

Verzoeker, een politieambtenaar, heeft de korpschef gevraagd om aanpassing van zijn geregistreerde 'zware' dienstjaren om in aanmerking te komen voor de tijdelijke regeling vervroegd uittreden (RVU). De korpschef weigerde dit in maart 2024, waarna verzoeker bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard. Verzoeker ging in beroep en kreeg in mei 2025 gelijk; de korpschef moest een nieuw besluit nemen, waarna verzoeker per 1 februari 2025 kon deelnemen aan de RVU.

Verzoeker stelde dat hij door het onrechtmatige besluit 12 maanden langer moest doorwerken en eiste schadevergoeding voor gemis aan vrije tijd. De korpschef betwistte aansprakelijkheid en stelde dat verzoeker niet later dan gepland met RVU is gegaan. De rechtbank oordeelde dat hoewel de besluiten onrechtmatig waren, verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk eerder met RVU zou zijn gegaan als het besluit direct was toegewezen.

De rechtbank concludeerde dat het enkel indienen van het verzoek tot aanpassing van dienstjaren onvoldoende is om schade aan te tonen. Ook eerdere verzoeken uit 2020 boden geen bewijs dat verzoeker per 1 februari 2024 wilde stoppen. Daarom werd het schadeverzoek afgewezen. Verzoeker werd niet veroordeeld in proceskosten omdat geen kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht was vastgesteld.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat verzoeker door het onrechtmatige besluit schade heeft geleden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3889

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K. Kromhout),
en

de korpschef van de politie

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het schadeverzoek van verzoeker. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de korpschef de door hem geclaimde schade moet vergoeden. Aan de hand van de argumenten van verzoeker beoordeelt de rechtbank of de korpschef de geclaimde schade moet betalen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Verzoeker heeft in 2024 aan de korpschef gevraagd om de registratie van zijn ‘zware’ dienstjaren [1] in het kader van de tijdelijke regeling vervroeg uittreden sector politie (RVU) te wijzigen. Bij dit verzoek heeft hij aangegeven dat hij in aanmerking wil komen voor de RVU. De korpschef heeft met een besluit van 6 maart 2024 geweigerd het aantal dienstjaren te wijzigen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1
Met de beslissing op bezwaar van 26 augustus 2024 is het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. De korpschef is onveranderd van mening dat het aantal ‘zware’ dienstjaren niet kan worden aangepast. Dit betekent dat verzoeker geen gebruik kan maken van de RVU omdat hij niet voldoet aan de eis van 25 ‘zware’ dienstjaren. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.2
Met ingang van 1 februari 2025 is verzoeker uit dienst gegaan en heeft hij (vroeg)pensioen opgenomen.
2.3
Op 12 mei 2025 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan op het beroep van verzoeker. De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoeker wel voldoet aan de eis dat hij tenminste 25 jaar moet zijn aangesteld als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak. Verzoeker komt hierdoor in aanmerking voor deelname aan de RVU. Het beroep is gegrond verklaard, waarbij de beslissing op bezwaar is vernietigd en de korpschef de opdracht heeft gekregen om een nieuw besluit te nemen.
2.4
Met het besluit van 24 juni 2025 heeft de korpschef besloten dat verzoeker per 1 februari 2025 kan deelnemen aan de RVU.

Procesverloop

3. Verzoeker heeft op 23 september 2025 aan de korpschef gevraagd zijn schade te vergoeden. Door het onrechtmatige besluit van 6 maart 2024 heeft hij 12 maanden langer moeten doorwerken. Hij verzoekt om een schadevergoeding bestaande uit gemis aan vrije tijd. De korpschef heeft op dit verzoek niet gereageerd.
3.1
Verzoeker heeft aan de rechtbank gevraagd om de korpschef te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding. De korpschef heeft betwist schadeplichtig te zijn.
3.2
De rechtbank heeft dit verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoeker en zijn gemachtigde deelgenomen. Namens de korpschef hebben [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt verzoeker
4. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat door het onrechtmatige besluit van 26 augustus 2024 hij 12 maanden later dan mogelijk zou zijn geweest gebruik heeft gemaakt van de RVU. Hij heeft daardoor moeten doorwerken van 1 februari 2024 tot 1 februari 2025. Zijn schade bestaat uit verlies aan vrije tijd. Voor de hoogte van zijn schade heeft verzoeker verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. [2]
Eiser verzoekt om het schadebedrag van € 500,-- per maand te indexeren volgens de consumentenprijsindex.
Standpunt korpschef
5. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van schade omdat verzoeker niet later met de RVU is gegaan dan hij van plan was. Verzoeker heeft steeds de wens geuit om vanaf februari 2025 deel te nemen aan de RVU. Voor zover er sprake is van vergoedbare schade heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat verzoeker heeft nagelaten zijn schade te beperken.
Overwegingen rechtbank
6. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid (onder a en onder b), van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.
6.1
Niet in geschil is dat de besluiten van 6 maart 2024 en 26 augustus 2024 onrechtmatig zijn. Dat betekent dat de korpschef in beginsel de schade die hierdoor is ontstaan zal moeten vergoeden.
6.2
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding aansluiting zoekt bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit. Alleen die schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij de korpschef, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. De bewijslast dat er sprake is van schade en van een causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade ligt bij verzoeker. [3] Hij zal aannemelijk moeten maken dat hij door het onrechtmatige besluit van 6 maart 2024 later gebruik heeft gemaakt van de RVU. Dit betekent dat verzoeker aannemelijk moet maken dat, als meteen bij het besluit van 6 maart 2024 de ‘zware’ politiejaren zouden zijn aangepast, hij ook meteen gebruik zou hebben gemaakt van de RVU.
6.3
De rechtbank stelt vast dat verzoeker bij zijn verzoek tot aanpassing van de ‘zware’ dienstjaren, heeft gesteld dat zijn pensioendatum is gepland op 15 februari 2025 (66 jaar) en dat hij dan nog 1 jaar gebruik zou kunnen maken van de RVU-regeling. Uit deze stelling kan niet anders worden opgemaakt dan dat verzoeker de wens heeft per 15 februari 2025 gebruik te maken van de RVU.
6.4
Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat hij zonder toezegging dat de ‘zware’ dienstjaren aangepast zouden worden (en hij dus recht op RVU zou hebben), niet eerder dan 1 februari 2025 met (vroeg)pensioen zou kunnen gaan. De rechtbank begrijpt dat de afweging wanneer iemand (vervroegd) met pensioen kan gaan mede wordt ingegeven door financiële overwegingen. Niet kan worden uitgesloten dat als meteen een toewijzend besluit zou zijn afgegeven verzoeker uiteindelijk toch had besloten eerder dan 15 februari 2025 met (vroeg) pensioen te gaan. Dit is echter onvoldoende om aan te nemen dat verzoeker door het onrechtmatige besluit schade heeft geleden. Daarvoor zal er in ieder geval een begin van bewijs moeten zijn dat verzoeker daadwerkelijk eerder zou zijn gestopt als meteen met het besluit van 6 maart 2024 de dienstjaren zouden zijn gewijzigd. Verzoeker heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt.
6.5
De ter zitting naar voren gebrachte stelling dat verzoeker ook eerder dan in 2024 heeft aangedrongen op RVU en dat hij daarom niet kan worden afgerekend op wat in zijn aanvraag van 2024 staat, volgt de rechtbank niet. Hoewel uit het dossier blijkt dat verzoeker in 2020 ook al een verzoek heeft gedaan om het aantal (zware) dienstjaren aan te passen, kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat verzoeker de wens had per 1 februari 2024 met (vroeg)pensioen te gaan. In het eerste verzoek is immers geen datum opgenomen waarop verzoeker, bij een toewijzend besluit, gebruik zou willen maken van de RVU. In september 2020 was verzoeker ook nog geen 64 jaar zodat hij, als in 2020 zijn verzoek zou zijn toegewezen, minimaal nog 4 jaar had moeten werken. Uit het enkele eerdere verzoek, kan dan ook niet opgemaakt worden dat verzoeker per 1 februari 2024 zou willen stoppen met werken. Nu er ook geen andere stukken zijn waaruit opgemaakt kan worden dat verzoeker eerder gebruik had willen maken van de RVU, moet geconcludeerd worden dat verzoeker er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij per 1 februari 2024 met (vroeg)pensioen had willen gaan. Het enkel indienen van een verzoek tot het aanpassen van dienstjaren is daarvoor in ieder geval onvoldoende.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen is verzoeker er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de onrechtmatige besluiten van 6 maart 2024 en 26 augustus 2024. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
7.1
De korpschef heeft de rechtbank gevraagd om verzoeker te veroordelen in de proceskosten.
7.2
Een natuurlijk persoon kan alleen bij kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht veroordeeld worden in de proceskosten. [4] De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Hoewel verzoeker er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat er sprake is van causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de door hem geclaimde schade betekent dit niet dat er sprake is van onredelijk gebruik van procesrecht. Het verzoek van de korpschef zal dan ook worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
  • wijst het verzoek om te bepalen dat de korpschef schadevergoeding moet betalen af;
  • wijst het verzoek van de korpschef om verzoeker te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 6 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Het aantal jaren dat een ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, zoals bedoeld in artikel 29c van het Besluit bezoldiging politie.
4.Artikel 8:75, eerste lid, in samenhang met artikel 8:94 van Pro de Algemene wet bestuursrecht