ECLI:NL:RBZWB:2026:5875

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BRE 23/10816
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €5.235 en belastingrente van €19 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank heeft het beroep behandeld en de zaak geschorst om aanvullende stukken te ontvangen, waarna de zaak schriftelijk is afgedaan.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat het bedrag te hoog is vastgesteld. Belanghebbende had een auto geregistreerd waarvoor een taxatierapport was overgelegd, maar de rechtbank acht de taxatiemethode niet toepasbaar wegens onvoldoende bewijs van meer dan normale gebruiksschade. De koerslijstmethode wordt toegepast met de koerslijst XRay (geen rental), omdat het huurverleden niet aannemelijk is gemaakt.

De rechtbank stelt de historische nieuwprijs vast op €139.608 en de handelsinkoopwaarde op €69.443, wat leidt tot een verschuldigde BPM van €21.692. Na verrekening van reeds betaalde BPM wordt de naheffingsaanslag verminderd tot €4.830. Daarnaast kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van circa 14 maanden. De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €4.830 en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van €1.500 wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10816

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd in [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.235 aan verschuldigde Bpm en gelijktijdig € 19 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak aangehouden om belanghebbende de gelegenheid te bieden om de inkoopfactuur in te dienen. Belanghebbende heeft de inkoopfactuur op 7 mei 2026 ingediend. De inspecteur heeft geen reactie ingediend. De rechtbank heeft met instemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten, het onderzoek bij brief van 20 mei 2026 gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht maar tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 23 september 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi SQ5 met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 16.862. Belanghebbende heeft de auto voor € 64.000 ingekocht.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 22.097 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.

Overwegingen

Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode
4.1.
Belanghebbende stelt dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangifte sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.2.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Op de foto’s van de achterklep, instapstijl, dakplaat en portier zijn naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de leeftijd van de auto (11 maanden) en de gereden kilometers (13.488), normale gebruikssporen te zien. Op de inkoopfactuur wordt geen melding gemaakt van eventuele schade en verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade.
Koerslijstmethode
4.3.
Voor dat geval heeft belanghebbende een beroep gedaan op de koerslijstmethode en gesteld dat de koerslijst XRay Rental moet worden gevolgd omdat de auto een huurverleden heeft. Belanghebbende stelt dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 63.864 bedraagt. De inspecteur betwist dat de auto een huurverleden heeft en voert aan dat de vermelding in het Duits kentekenbewijs ook kan betekenen dat sprake is van een lease-auto. Verder zegt het niets over de intensiviteit van het gebruik. De inspecteur gaat uit van een handelsinkoopwaarde van € 86.577 van de koerslijst AutotelexPro, dan wel subsidiair van € 69.443 van de koerslijst XRay (geen rental).
4.4.
De rechtbank stelt vast dat op het kentekenbewijs ‘Selbstfahrermietfahrzeug’ is vermeld. Echter op de inkoopfactuur staat: ‘Mietwagen: Nein’. Gelet hierop en de betwisting door de inspecteur is de enkele vermelding op het kentekenbewijs onvoldoende om aannemelijk te maken dat de auto een aantoonbaar huurverleden heeft. Dit betekent dat belanghebbende geen beroep kan doen de koerslijst XRay Rental. De rechtbank gaat uit van de koerslijst XRay (geen rental), zijnde € 69.443. Nu de inspecteur geen argumenten heeft aangevoerd dat de koerslijst verkeerd is ingevuld en de rechtbank daar ook geen aanwijzingen voor heeft, mag belanghebbende kiezen voor de voor haar meest gunstige koerslijst. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een hogere handelsinkoopwaarde vanwege de omstandigheid dat de auto 5 gr/km aan CO2-uitstoot meer heeft dan de referentieauto.
Historische nieuwprijs
4.5.
Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 139.608. De inspecteur heeft op zitting verklaard dat hij het daarmee eens is. De rechtbank sluit hierbij aan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [2] .
Hoogte naheffingsaanslag
4.6.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 139.608, een handelsinkoopwaarde van € 69.443 en een bruto Bpm van € 43.611, stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 21.692. Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 16.862 zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 4.830. De belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd.
Immateriële schadevergoeding
4.7.
Belanghebbende heeft op 9 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.8.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 26 april 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 17 juni 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 14 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. Dit bedrag komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 4.830 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig wordt verminderd. Belanghebbende heeft verder recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot een bedrag van € 4.830;
- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 1 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
3.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.