ECLI:NL:RBZWB:2026:5874

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BRE 23/12006
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Uitvoeringsregeling BPMArt. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en overschrijding redelijke termijn zonder immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €7.045 en belastingrente van €23, opgelegd door de inspecteur. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de aanslag terecht is opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is vastgesteld op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel, omdat het taxatierapport van belanghebbende niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Het taxatierapport gebruikte een koerslijst van een ander automodel met wezenlijk andere technische kenmerken en bevatte waardeverminderingen die niet door feiten werden ondersteund. Ook ontbrak een kopie van de inkoopfactuur bij de aangifte, terwijl de auto voor een veel hoger bedrag was ingekocht.

Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de afhandeling van het bezwaar met ongeveer 14 maanden is overschreden. De rechtbank wijst een immateriële schadevergoeding af en volstaat met de constatering van de termijnoverschrijding, mede vanwege het beperkte financiële belang en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade en proceskosten wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en er wordt geen immateriële schadevergoeding toegekend ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/12006

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 7.045 aan verschuldigde Bpm en gelijktijdig € 23 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak aangehouden om belanghebbende de gelegenheid te bieden om de inkoopfactuur in te dienen. Belanghebbende heeft de inkoopfactuur op 7 mei 2026 ingediend. De inspecteur heeft op 12 mei 2026 een reactie ingediend. De rechtbank heeft met instemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten, het onderzoek bij brief van 5 juni 2026 gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 20 september 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Ford Edge 3.5 V6 met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.380. De auto heeft een CO2-uitstoot van 275 gr/km (NEDC) en een vermogen van 205 kW. Belanghebbende heeft de auto voor € 14.000 ingekocht.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft op basis van de hertaxatie het standpunt ingenomen dat belanghebbende te weinig bpm heeft voldaan. De inspecteur heeft de verschuldigde bpm aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 8.425, omdat deze het meest gunstig is, en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.

Overwegingen

Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode
4.1.
Tussen partijen staat vast dat de auto niet op een koerslijst voorkomt. Dat betekent dat een individuele waardebepaling kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode mits aan de voorwaarden van artikel 8, vierde lid, Uitvoeringsregeling BPM is voldaan. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij aan de voorwaarden voor toepassing van de taxatiemethode voldoet.
4.2.
Belanghebbende heeft bij de aangifte een taxatierapport overgelegd waarin voor de handelsinkoopwaarde is aangesloten bij de koerslijst XRay van een Ford Galaxy 2.0 Titanium met een veel lagere CO2-uitstoot (180 gr/km in plaats van 275 gr/km), minder vermogen (177 kW in plaats van 205 kW) en minder cilinderinhoud (2000 cc in plaats van 3500 cc). Deze verschillen vindt de rechtbank wezenlijk. Hoewel bij toepassing van de taxatiemethode een koerslijst slechts een uitgangspunt is, is in het taxatierapport geen enkele waardevermeerdering in aanmerking genomen vanwege deze verschillen. Verder zijn in het taxatierapport waardeverminderingen opgenomen voor reparaties (€ 9.443) en een schadeverleden (€ 1.753), terwijl uit de foto’s van de auto in het taxatierapport niet meer dan normale gebruiksschade volgt en van een schadeverleden van de auto niet is gebleken. Op de foto’s van de deur, achterklep en bumper zijn naar het oordeel van de rechtbank gelet op de leeftijd van de auto (8 jaar) en de gereden kilometers (32.404) enkel normale gebruikssporen te zien. Tot slot is geen kopie van inkoopfactuur toegevoegd, komt het taxatierapport tot een handelsinkoopwaarde van € 1.753, terwijl de auto blijkens de inmiddels overgelegde inkoopfactuur voor een aanmerkelijk hoger bedrag van € 14.000 is gekocht door belanghebbende.
4.3.
De rechtbank overweegt dat gelet op het voorgaande het taxatierapport van belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden van Bijlage I Uitvoeringregeling Bpm en daarom niet kan dienen om de handelsinkoopwaarde van de auto te bepalen. Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode, omdat belanghebbende bij de aangifte geen taxatierapport heeft overgelegd dat voldoet aan de voorwaarden. De stelling van belanghebbende dat in dat geval kan worden aangesloten bij het waardeonderzoek van DRZ volgt de rechtbank niet. Om de taxatiemethode te kunnen gebruiken had belanghebbende op grond van de wet bij de aangifte een taxatierapport moeten voegen dat voldoet aan de voorwaarden van Bijlage I. [2]
Hoogte naheffingsaanslag
4.4.
Alles in overweging nemende komt de rechtbank tot de conclusie dat de inspecteur de verschuldigde Bpm terecht door middel van de forfaitaire afschrijvingstabel heeft berekend. Dit leidt ertoe dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Ook de belastingrentebeschikking is niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.
Immateriële schadevergoeding
4.5.
Belanghebbende heeft op 18 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 19 april 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 17 juni 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 14 maanden overschreden.
4.7.
De rechtbank kent in dit geval geen vergoeding van immateriële schade toe, maar volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De Hoge Raad heeft beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang minder bedraagt dan € 1.000 en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Bij een overschrijding van meer dan twaalf maanden beslist de rechter naar bevind van zaken. [3] Het in het arrest geformuleerde overgangsrecht is niet van toepassing, omdat de redelijke termijn nog niet was overschreden op 14 juni 2024.
4.8.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een financieel belang van minder dan € 1.000. De rechtbank laat de standpunten gebaseerd op het taxatierapport en de herleidingsmethode daarbij buiten beschouwing, omdat deze tegen beter weten in zijn ingenomen door (de gemachtigde van) belanghebbende. Belanghebbende heeft aangifte gedaan met een beroep op een taxatierapport, waarvan duidelijk is dat die niet aan de voorwaarden voldoet (zie 4.2 en 4.3). Verder volhardt belanghebbende in zijn stelling over de herleidingsmethode, terwijl de Hoge Raad al op 11 juli 2025 – en dus binnen de redelijke termijn – heeft beslist dat die methode niet kan slagen.
4.9.
Verder is weliswaar sprake van een overschrijding van meer dan twaalf maanden, maar na een afweging van de belangen en omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de overschrijding maar twee maanden langer dan twaalf maanden is, belanghebbende een professioneel autobedrijf is voor wie het resterende financiële belang over het algemeen beperkte impact heeft en ook niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die extra spanning en frustratie hebben opgeleverd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende heeft geen recht op een immateriële schadevergoeding. Belanghebbende heeft geen recht op een vergoeding van proceskosten of het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 1 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.4.
3.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
4.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.