ECLI:NL:RBZWB:2026:5845

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
26/3362 WMO15
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot opheffing voorlopige voorziening Wmo afgewezen wegens gebrek aan procesbelang

In deze bestuursrechtelijke zaak verzocht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen om opheffing van een voorlopige voorziening die de rechtbank eerder had getroffen ten gunste van verzoekster. De voorlopige voorziening verplichtte het college tot het toekennen van een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en ondersteuning.

Het college stelde dat gewijzigde feiten en omstandigheden, indien bekend geweest, tot een andere beslissing hadden geleid en wilde de voorziening met terugwerkende kracht opheffen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het college onvoldoende actueel en reëel belang had bij het verzoek, omdat het alleen ging om een mogelijke toekomstige civielrechtelijke betalingsverplichting.

De voorzieningenrechter benadrukte dat bestuursrechtelijke procedures niet geschikt zijn om civielrechtelijke betalingsvorderingen te voorkomen en dat opheffing met terugwerkende kracht niet mogelijk is. Gezien de korte resterende looptijd van de voorlopige voorziening en het ontbreken van een bestuursrechtelijke grondslag voor betaling, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het verzoek kon niet in hoger beroep worden aangevochten. De voorlopige voorziening blijft daarmee van kracht tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3362 WMO15
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 op het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen(verzoeker)
(gemachtigde: mr. K.V. Witte),
om opheffing als bedoeld in artikel 8:87 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van de bij uitspraak van 12 december 2025, zaaknummer 25/5255 (ECLI:NL:RBZWB:2025:8932) getroffen voorlopige voorziening in de zaak tussen:

[verzoekster] , uit [woonplaats] (verzoekster),

gemachtigde: mr. M.I. L'Ghdas,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de voorlopige voorziening die de voorzieningenrechter in de uitspraak van 12 december 2025 heeft getroffen, op te heffen. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak bepaald dat verzoeker aan verzoekster vanaf 16 oktober 2025 tot zes weken na het nemen van de beslissing op het bezwaar, een maatwerkvoorziening moet toekennen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), waarmee de kosten van het beschermd wonen en de ondersteuning bij [zorginstelling] kunnen worden voldaan.
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om opheffing (kennelijk) niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan (proces)belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft in 2025 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend inzake het besluit van verzoeker van 4 september 2025. Met dat besluit was haar aanvraag voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wmo buiten behandeling gesteld. In de uitspraak van 12 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 4 september 2025 geschorst, en bepaald dat verzoeker vanaf 16 oktober 2025 aan verzoekster een maatwerkvoorziening moet toekennen waarmee de kosten van beschermd wonen en ondersteuning kunnen worden voldaan.
Verzoeker heeft bij de rechtbank middels een brief van 17 juni 2026 een verzoek ingediend om de voorziening die is getroffen in de uitspraak van 12 december 2025 – bij voorkeur met terugwerkende kracht tot 16 oktober 2025 – op te heffen, gelet op na die uitspraak opgekomen feiten en omstandigheden, die – indien zij destijds bekend waren geweest – niet tot het treffen van de voorlopige voorziening zouden hebben geleid.
De voorzieningenrechter heeft verzoekster op de voet van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ambtshalve als derde-partij aangemerkt.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek (kennelijk) niet ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader van het verzoek
3. Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de artikelen 8:81, tweede, derde en vierde lid, en 8:82 tot en met 8:86 van de Awb van overeenkomstige toepassing.
Onderbouwing van het verzoek
4. Verzoeker beoogt met zijn verzoek te voorkomen dat [zorginstelling] in een eventuele civielrechtelijke procedure betaling voor verleende zorg kan afdwingen door te stellen dat zij zorg aan verzoekster heeft verleend in gerechtvaardigd vertrouwen op de voorlopige voorziening van 12 december 2025. Hij stelt in zoverre belang te hebben bij opheffing van die uitspraak. In een civielrechtelijke procedure zou de discussie zich onvermijdelijk toespitsen op de vraag over welke periode de geleverde zorg al dan niet aan de kwaliteitseisen voldeed, en in hoeverre verzoeker gehouden zou zijn de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat [zorginstelling] – zoals ook onderkend door verzoeker – niet via de bestuursrechtelijke weg betaling kan afdwingen voor geleverde zorg aan verzoekster. Een bestuurlijke grondslag daartoe ontbreekt. Verzoeker heeft namelijk geen besluit genomen om een pgb toe te kennen, maar verzoeksters pgb-aanvraag inhoudelijk afgewezen bij beslissing op bezwaar van 26 mei 2026 wegens het ontbreken van veilige, doeltreffende en cliëntgerichte zorg, en het ontbreken van een geschikte budgetbe-heerder. Verder is het verzoek van [zorginstelling] om uitvoering te geven aan genoemde voorziening door de voorzieningenrechter van deze rechtbank in een uitspraak van 1 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:4692) reeds niet-ontvankelijk verklaard, omdat [zorginstelling] niet als belanghebbende kon worden aangemerkt. Het belang bij deze procedure kan daarom enkel zijn gelegen in het voorkomen van het ontstaan van een aanspraak op betaling voor geleverde zorg in een (civielrechtelijke) procedure bij de burgerlijke rechter.
6. Bij het ontstaan van een betalingsverplichting in een civielrechtelijke procedure gaat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter om een toekomstige onzekere gebeurtenis, die een onvoldoende actueel en reëel belang vormt voor de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 september 2021 ECLI:NL:CRVB:2021:2402) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023: 2074). Wat verzoeker aanvoert ter onderbouwing van het door hem gestelde belang geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
7. De voorzieningenrechter voegt aan het voorgaande toe dat artikel 8:87 van Pro de Awb niet de mogelijkheid biedt om een getroffen voorlopige voorziening wegens gewijzigde omstandigheden 'ab initio' (met terugwerkende kracht) op te heffen of te wijzigen. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT0655, in het bijzonder overweging 2.11). De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 12 december 2025 bepaald dat verzoeker aan verzoekster tot zes weken na het nemen van de beslissing op het bezwaar een maatwerkvoorziening moet toekennen waarmee de kosten van het beschermd wonen en de ondersteuning bij [zorginstelling] kunnen worden voldaan. Aangezien verzoeker al op 26 mei 2026 een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft de getroffen voorlopige voorziening op dit moment nog slechts werking voor een periode van ongeveer een week. Het financiële belang bij deze procedure is daarom ook beperkt tot een eventuele betalingsverplichting voor zorgkosten over die (zeer korte) periode.
8. De voorzieningenrechter concludeert op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, dat onvoldoende (proces)belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van verzoeker.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om de voorlopige voorziening op te heffen (kennelijk) niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de voorlopige voorziening die is getroffen in de uitspraak van 12 december 2025 niet wordt opgeheven.
9.1.
In deze procedure bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om de voorlopige voorziening die de voorzieningenrechter heeft getroffen in de uitspraak van 12 december 2025, zaaknummer 25/5255 (ECLI:NL:RBZWB:2025:8932) op te heffen, niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.