ECLI:NL:RBZWB:2026:5838

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/3341, 25/3343, 25/3344, 25/3345, 25/3346, 25/3347, 25/3348, 25/3349.
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroepen wegens niet tijdig doen uitspraken op bezwaar Wet compensatie selectie aan de poort

Belanghebbende verzocht bij brief van 9 februari 2024 om compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2019 op grond van de Wet compensatie wegens selectie aan de poort. De inspecteur nam het verzoek niet in behandeling en gaf dit bij brief van 11 juli 2024 aan. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze brief en kreeg op 4 oktober 2024 uitspraak op bezwaar. Hiertegen stelde hij beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank had eerder bij uitspraak van 25 maart 2025 de inspecteur opgedragen de brief van 19 juli 2024 van belanghebbende als bezwaarschrift in behandeling te nemen. De inspecteur stelde echter dat reeds op 4 oktober 2024 uitspraak op bezwaar was gedaan, waardoor een tweede uitspraak niet mogelijk was.

De rechtbank constateert dat zij bij de eerdere uitspraak niet op de hoogte was van de uitspraak op bezwaar van 4 oktober 2024. Gezien het gesloten stelsel in het belastingrecht is een tweede uitspraak op bezwaar niet mogelijk. Daarom verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk en wijst zij een vergoeding van het griffierecht toe vanwege de onduidelijkheid die de eerdere uitspraak heeft veroorzaakt.

Uitkomst: De beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard en het griffierecht wordt vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/3341 en 25/3343 t/m 25/3349

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 juli 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende], uit [plaats] , belanghebbende,
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende die zien op het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar betreffende het verzoek van belanghebbende om hem, voor de jaren 2012 tot en met 2019, bij voor bezwaar vatbare beschikkingen compensatie toe te kennen op grond van de Wet compensatie wegens selectie aan de poort (de Wet).
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 mei 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met de beroepen van belanghebbende met zaaknummers 25/2870, 25/2872 t/m 25/2876, 25/2878, 25/2879, 25/6412, 25/6584, 25/6586, 25/6587, 24/7667, 24/6610 en 25/704. Hieraan hebben deelgenomen:
  • belanghebbende;
  • namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] ,
mr. [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] ;
- namens de ontvanger: drs. [naam 1] , [naam 2] , mr. [naam 3] en [naam 4] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur niet tijdig uitspraken op bezwaar heeft gedaan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal de beroepen niet-ontvankelijk verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft bij brief van 9 februari 2024 verzocht om bij voor bezwaar vatbare beschikkingen, voor de jaren 2012 tot en met 2019, aan hem compensatie toe te kennen op grond van de Wet.
3.1.
Bij brief van 11 juli 2024 is namens de minister van Financiën aangegeven dat het verzoek niet in behandeling wordt genomen.
3.2.
Bij brief van 19 juli 2024 heeft belanghebbende gereageerd op de brief van 11 juli 2024.
3.3.
Bij brief van 25 juli 2024 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de brief van 11 juli 2024.
3.4.
Op 4 oktober 2024 heeft de inspecteur uitspraak gedaan op het bezwaar van 25 juli 2024. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Deze zaak wordt behandeld onder het zaaknummer BRE 24/7667.
3.5.
Belanghebbende heeft reeds eerder beroep ingesteld bij de rechtbank omdat de inspecteur volgens hem niet tijdig heeft beslist zijn verzoek van 9 februari 2024. De rechtbank heeft, zonder zitting, op dat beroep beslist bij uitspraak van 25 maart 2025 [1] . In deze uitspraak heeft de rechtbank, onder meer, de inspecteur opgedragen om de brief van 19 juli van belanghebbende in behandeling te nemen als bezwaarschrift tegen de brief van 11 juli 2024.
3.6.
De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 15 mei 2025 geïnformeerd dat al op 4 oktober 2024 uitspraak op het bezwaar is gedaan en hij daarom het stuk van 19 juli 2024 niet als bezwaarschrift in behandeling kan nemen.
3.7.
Bij brief van 24 mei 2025 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 25 maart 2025.

Motivering

4. In de beroepen verwijst belanghebbende naar de uitspraak van de rechtbank. Hij stelt dat de inspecteur op basis van de uitspraak van de rechtbank uitspraken op bezwaar moest doen, hetgeen niet tijdig is gebeurd.
4.1.
De rechtbank constateert dat de rechtbank, bij het doen van de in 3.5 bedoelde uitspraak, kennelijk niet bekend was met de uitspraak op bezwaar van 4 oktober 2024. Als de rechtbank wel met die uitspraak van de inspecteur bekend was geweest, dan had zij namelijk niet beslist dat de inspecteur de reactie van belanghebbende als bezwaarschrift in behandeling moest nemen. Ten tijde van het doen van uitspraak door de rechtbank was immers reeds uitspraak op het bezwaar betreffende het niet toekennen van compensatie op grond van de Wet gedaan en het nemen van een tweede uitspraak op bezwaar is, gezien het gesloten stelsel in het belastingrecht, niet mogelijk. [2]
4.2.
Gelet op wat in 4.1 is overwogen, had de rechtbank de inspecteur niet op moeten dragen om de brief van 19 juli 2019 als bezwaarschrift in behandeling te nemen. Nu de inspecteur de uitspraak op bezwaar reeds had genomen, kon hij dit immers niet nogmaals doen. De inspecteur was dan ook niet in gebreke om uitspraak op bezwaar te doen. De beroepen tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar zijn dan ook niet-ontvankelijk. Vanwege de onduidelijkheid die is veroorzaakt door de uitspraak van de rechtbank van 25 maart 2025 ziet de rechtbank in dit geval wel aanleiding om het griffierecht te vergoeden.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaken dus niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt wel een vergoeding van het griffierecht. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
  • draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 424 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier, op 1 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 maart 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:1715.
2.Vgl. Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516.