Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het zodanig parkeren van een voertuig dat gevaar of hinder voor het verkeer werd veroorzaakt op 8 oktober 2021 in Breda. Betrokkene stelde dat het voertuig op het moment van de overtreding door een huurder werd bestuurd en dat deze persoon verantwoordelijk was. Dit beroep op artikel 8 Wahv Pro werd echter verworpen omdat de huurovereenkomst op het moment van de overtreding was geëindigd.
De kantonrechter stelde vast dat uit de foto’s en de verklaring van de verbalisant voldoende bleek dat het voertuig hinderlijk geparkeerd stond, waardoor de boete terecht was opgelegd aan betrokkene als kentekenhouder. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden, aangezien de procedure meer dan vier jaar duurde.
Gezien de grove overschrijding van de redelijke termijn matigde de kantonrechter de boete met 50%, waarbij ook rekening werd gehouden met eerdere jurisprudentie die een matiging van 25% voorschrijft bij overschrijding van twee jaar. Daarnaast werd betrokkene een proceskostenvergoeding van € 934 toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De beslissing van de officier van justitie werd dienovereenkomstig gewijzigd.
Uitkomst: De boete wegens hinderlijk parkeren wordt gematigd met 50% vanwege overschrijding van de redelijke termijn en betrokkene krijgt proceskostenvergoeding toegekend.