Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het zodanig parkeren van een voertuig dat gevaar of hinder voor het verkeer werd veroorzaakt op 8 oktober 2021 in Breda. Betrokkene stelde dat het voertuig op het moment van de overtreding door een huurder werd bestuurd en dat hij niet verantwoordelijk was. Dit beroep op artikel 8 Wahv Pro werd echter verworpen omdat de huurovereenkomst op het moment van de overtreding was beëindigd.
De kantonrechter stelde vast dat uit de foto’s en de verklaring van de verbalisant voldoende bleek dat sprake was van hinder, waardoor de boete terecht was opgelegd aan betrokkene als kentekenhouder. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, aangezien de procedure meer dan vier jaar duurde.
Gezien de grove overschrijding matigde de kantonrechter de boete met 50%, waarbij ook werd bepaald dat het teveel betaalde bedrag aan zekerheidstelling aan betrokkene moet worden terugbetaald. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van € 934 toegekend voor de kosten in de fase van het beroep bij de kantonrechter.
De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd en de boete werd vastgesteld op € 50 plus € 9 administratiekosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond, boete gematigd met 50% en proceskostenvergoeding toegekend.