ECLI:NL:RBZWB:2026:5707

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/02/444646 / FA RK 26-572
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:266 BWArt. 1:267 BWArt. 1:268 BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing ouderlijk gezag en vaststelling informatieregeling in gezags- en zorggeschil

Partijen zijn ouders van vier minderjarige kinderen en oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. De man is veroordeeld voor ernstige strafbare feiten, waaronder seksuele ontucht met een minderjarige en bezit van kinderpornografie, en zit momenteel gedetineerd. De vrouw verzoekt de rechtbank om het gezag van de man te schorsen op grond van artikel 1:268 BW Pro, vanwege het ernstige vermoeden van bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en het ontbreken van vertrouwen.

De man verzet zich tegen het verzoek en vraagt om nakoming van de zorgregeling met begeleid contact na zijn vrijlating, evenals een dwangsom tegen de vrouw voor het niet naleven van de informatieregeling. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert het verzoek tot schorsing af te wijzen en stelt voor een onderzoek te verrichten naar de zorg- en omgangsregeling.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw niet bevoegd is om op grond van artikel 1:268 BW Pro schorsing van het gezag te verzoeken en wijst dit verzoek af. Wel wordt de Raad verzocht met spoed onderzoek te doen naar de gezags- en zorgsituatie, zodat voor de vrijlating van de man in november 2026 een weloverwogen beslissing kan worden genomen. De rechtbank stelt een voorlopige informatieregeling vast waarbij de vrouw de man via zijn advocaat maandelijks informeert over de kinderen en bij calamiteiten onmiddellijk, zonder verplichting tot het verstrekken van foto's. De verzoeken tot dwangsommen worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing gezag afgewezen; voorlopige informatieregeling vastgesteld; Raad verzocht onderzoek te doen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaak-/rekestnummer: C/02/444646 / FA RK 26-572
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro d.d. 29 mei 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. N. Wouters, kantoorhoudende te Middelburg,
tegen
[de man],
thans verblijvende in de Penitentiarie Inrichting te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E. Poppe, kantoorhoudende te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg ,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 27 januari 2026 ontvangen verzoekschrift, met producties;
- het op 4 mei 2026 ingekomen verweerschrift, tevens houdend zelfstandig verzoek, met producties;
- de brief d.d. 6 mei 2026 van mr. Wouters;
- de tijdens de zitting overgelegde pleitnotitie van mr. Poppe.
1.2 Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/444645 / FA RK 26-571. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot wijziging van het gezag en ontzegging van de omgang ter beoordeling voor.
1.3 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 8 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Op de mondelinge behandeling is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordigster van de Raad.
1.4 Na te noemen minderjarige [minderjarige 1] is gelet op zijn leeftijd in staat gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.[minderjarige 1] heeft ervoor gekozen een brief naar de kinderrechter te sturen. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter besproken wat [minderjarige 1] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn de navolgende, thans nog minderjarige, kinderen geboren:
  • [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats 1] );
  • [minderjarige 2] (geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats 2] );
  • [minderjarige 3] (geboren op [geboortedag 3] 2020 te [geboorteplaats 3] );
  • [minderjarige 4] (geboren op [geboortedag 4] 2023 te [geboorteplaats 2] ).
2.2.
De man heeft de minderjarigen erkend. De man en de vrouw hebben gezamenlijk gezag over de minderjarigen.
2.3.
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 13 december 2023, hersteld bij herstelvonnis van 8 januari 2024, heeft de voorzieningenrechter de minderjarigen voorlopig toevertrouwd aan de vrouw. Tevens is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om de minderjarigen op haar adres in te schrijven. Verder is bepaald dat de man, zodra het onderzoeksbelang zich niet meer verzet tegen contact tussen de man en de kinderen, in het kader van de verdeling van de zorg- en
opvoedingstaken voorlopig gerechtigd is tot contact met de kinderen, onder begeleiding van een derde, voor de duur van 2 x 2 uur per week, zoals overwogen in rechtsoverweging 4.10 van het vonnis. Ook hebben partijen overeenstemming bereikt over een informatieregeling, inhoudende dat de vrouw de man maandelijks zal informeren over belangrijke gebeurtenissen in het leven van de kinderen én de man bij (medische) calamiteiten onmiddellijk zal informeren. Daarnaast is bepaald dat de voorlopige door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen met ingang van 1 november 2023 € 770,- per maand bedraagt. Hetgeen meer of anders is gevorderd is afgewezen.
2.5.
Bij vonnis van de meervoudige kamer van de sector strafrecht van deze rechtbank van 6 december 2024 is de man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, voor de navolgende strafbare feiten:
feit 1: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede
bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam:
feit2: ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen
gepleegd:
feit 3: een afbeelding - en een gegevensdrager, bevattende een afbeelding ~ van een
seksuele gedraging waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog
niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, verwerven en zich door middel van
een geautomatiseerd werk de toegang daartoe verschaffen, meermalen gepleegd:
feit4: een afbeelding - en een gegevensdrager, bevattende een afbeelding - van een
seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog
niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben.
De man is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. Dit hoger beroep is momenteel nog aanhangig.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, te bepalen dat voorlopig het ouderlijk van gezag van de man over de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats 1] );
- [minderjarige 2] (geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats 2] );
- [minderjarige 3] (geboren op [geboortedag 3] 2020 te [geboorteplaats 3] ) en
- [minderjarige 4] (geboren op [geboortedag 4] 2023 te [geboorteplaats 2] );
wordt geschorst op grond van artikel 1:268 BW Pro.
3.2.
De man voert verweer en verzoekt om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
  • het verzoek van de vrouw om het ouderlijk gezag van de man te schorsen, af te wijzen;
  • te bepalen dat de vrouw de bij vonnis van 13 december 2023 vastgestelde informatieregeling onverkort dient na te komen, in die zin dat zij:
o de man maandelijks, via de advocaten, schriftelijk informeert over gewichtige aangelegenheden betreffende de kinderen; en
o de man onmiddellijk informeert bij (medische) calamiteiten;
o aan de man eens per maand een actuele foto van ieder van de kinderen toe moet zenden waarop zij herkenbaar in beeld zijn gebracht.
en de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere maand dat zij zich niet (althans niet volledig) aan deze informatieregeling houdt, met een maximum van € 40.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen dwangsom;
- te bepalen dat de man vanaf zijn invrijheidstelling 2 keer per week voor de duur van 2 uur onder begeleiding van een door de rechtbank te benoemen professionele hulpverleningsinstantie contact zal hebben met de kinderen totdat in de bodemzaak is beslist over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,- met een maximum van
€ 40.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen dwangsom voor iedere keer dat zij geen medewerking verleent aan deze zorgregeling;
kosten rechtens.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
4.2.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank hangen de onderhavige verzoeken samen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoek(en).
Inhoudelijke beoordeling
Schorsing gezag
4.4.
De vrouw verzoekt bij wijze van provisionele voorziening het ouderlijk gezag van de man over de minderjarige kinderen te schorsen op grond van artikel 1:268 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ter onderbouwing van haar verzoek heeft zij naar voren gebracht dat partijen op 28 oktober 2023 uiteen zijn gegaan toen de familie van de vrouw de man heeft beschuldigd van seksueel misbruik van zijn nichtje van acht jaar oud. De man weigert openheid van zaken te geven over wat er precies is gebeurd en blijft ontkennen, maar is op 6 december 2024 wel door de rechtbank veroordeeld voor onder meer seksuele ontucht met dit nichtje van partijen, en voor het in bezit hebben en verwerven van kinderporno. Daarnaast heeft de vrouw ook zorgen over mogelijk misbruik van de dochters van partijen door de man in de periode van l januari 2022 tot en met zaterdag 28 oktober 2023 en heeft de man zich, in de periode dat hij nog vrij was, schuldig gemaakt aan grensoverschrijdend en controlerend gedrag jegens de vrouw. De vrouw heeft hiervan aangifte gedaan, maar de man is hiervoor niet vervolgd, omdat het Openbaar Ministerie niet tot vervolging is overgegaan wegens gebrek aan bewijs. Het voorgaande maakt dat de vrouw geen vertrouwen meer heeft in de man. De man zit momenteel gedetineerd. De minderjarigen hebben sinds het uiteengaan van partijen, aldus sinds 28 oktober 2023, geen contact meer met de man gehad en de vrouw heeft ook niets van hem gehoord. De man is dan ook al geruime tijd niet betrokken bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Het gebrek aan openheid en de strafbare feiten die de man heeft gepleegd en alles wat daarvan het gevolg is geweest, veroorzaakt bij de vrouw veel spanningen en belemmert de vrouw in haar mogelijkheden om met de man te communiceren en te overleggen over zaken aangaande de minderjarigen. Contact met de man roept bij de vrouw veel emoties op. Het kan niet van de vrouw worden gevergd dat zij, al dan niet met tussenkomst van een derde, met de man overlegt. Voor de minderjarigen, maar ook voor de vrouw, is het nu nodig dat er stabiliteit en rust komt. Tevens is seksueel misbruik een ernstige vorm van kindermishandeling en een ernstig strafbaar feit. De man is niet meer de juiste persoon om beslissingen te nemen over de minderjarigen, nu hij zijn gezag ten aanzien van een aan de zorg van partijen toevertrouwde minderjarige in hun eigen huis heeft misbruikt.Voortzetting van het gezag wordt schadelijk wordt geacht. Uit de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11113 en overige jurisprudentie volgt dat seksueel misbruik van een (minderjarig) familielid het gezag van de man doet eindigen en dat de vrouw om schorsing van het gezag in de zin van artikel 1:268 BW Pro kan verzoeken. Voortduring van het gezamenlijk gezag zal dan ook leiden tot een situatie waarbij de minderjarigen klem of verloren raken. Daarnaast is de vrouw met het oog op de man zijn vrijlating angstig dat de man misbruik gaat maken van zijn gezagspositie. De man heeft tot een half jaar geleden nooit naar de kinderen van partijen geïnformeerd of post naar hen gestuurd, maar wil nu ineens informatie over hen ontvangen.
4.5.
De man voert verweer. Namens de man is aangevoerd dat schorsing van het gezag op grond van artikel 1:268 BW Pro een kinderbeschermingsmaatregel is die niet door de vrouw kan worden verzocht. Reeds hierom dient het verzoek te worden afgewezen. Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, dan wel een acute crisissituatie, aan de zijde van de vrouw. Tot op heden is zij niet tegen problemen aangelopen bij de uitoefening van het gezag. Detentie op zichzelf vormt geen grond voor een zo ingrijpende maatregel als schorsing van het gezamenlijk gezag. Ook heeft de man nimmer gezagsbeslissingen tegengehouden en hij zal dat ook in de toekomst niet doen. De man heeft altijd toestemming verleend als dat werd verzocht. Tevens is door de vrouw op geen enkele wijze onderbouwd dat instandhouding van het gezamenlijk gezag een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen vormt. Meer subsidiair voert de man aan dat, gelet op het voorlopige krakater van deze procedure, een beslissing tot schorsing van het gezag een te vergaande en ingrijpende maatregel zou zijn. Een dergelijk ingrijpende beslissing leent zich niet voor deze procedure, temeer nu nog niet alle relevante feiten en omstandigheden voldoende duidelijk zijn en er nog een hoger beroep tegen de uitspraak in de strafzaak loopt, waarin juist zorgen over het gezinssysteem van de vrouw naar voren zijn gebracht. De man stelt dat hij ten onrechte veroordeeld is voor seksueel misbruik van het nichtje van partijen. De uitkomst van dat hoger beroep dient te worden afgewacht voordat er beslist wordt over het gezag. Daarnaast vereist een zorgvuldige beslissing over het gezag een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Volledigheidshalve merkt de man op dat als de vrouw bang is in verband met zijn vrijlating, hij bereid is hierover afspraken te maken en toezegt dat hij de minderjarigen niet zonder toestemming zal bezoeken, benaderen of ophalen.
4.6.
De Raad adviseert om het verzoek van de vrouw tot schorsing van het gezag af te wijzen. Op dit moment bestaat er geen aanleiding om vooruit te lopen op de uitkomst van de bodemprocedure, nu er geen zorgen zijn dat de minderjarigen door de voortzetting van het gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken. De man is immers al geruime tijd gedetineerd en niet is gebleken dat de vrouw belemmeringen ondervindt bij de uitoefening van het gezag. Gebleken is dat bij de vrouw de zorg bestaat dat de man misbruik van zijn gezag gaat maken zodra hij vrijkomt en dat hij de minderjarigen dan gaat ophalen van school, hobby’s of sociale activiteiten. Nu de man aangeeft dat niet te doen, kunnen partijen samen afspraken maken die waarborgen dat de man geen misbruik maakt van zijn gezag. De Raad biedt welaan om een raadsonderzoek te verrichten naar het gezag, zodat de rechtbank hierover een weloverwogen beslissing in de bodemprocedure kan nemen in het belang van de minderjarigen.
4.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:268, eerste lid, sub a. BW in samenhang gelezen met artikel 1:266, eerste lid, aanhef en sub a. BW kan de rechtbank een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen indien een ernstig vermoeden bestaat dat een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, als bedoeld in artikel 1:247 tweede Pro lid BW, te dragen en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
4.8.
Op grond van artikel 1: 268 lid 2 BW kan bij gezamenlijk gezag het gezag van één van de ouders worden geschorst. Artikel 1: 267 BW is op grond van artikel 1: 268 lid 4 BW van overeenkomstige toepassing. In art 1:267 BW Pro is bepaald dat gezagsbeëindiging alleen kan worden uitgesproken op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. Ook degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt (de pleegouder) is bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot een verzoek overgaat. De GI kan de Raad voorts verzoeken onderzoek te doen en een verzoek tot gezagsbeëindiging bij de rechtbank te doen. Mocht de Raad dit weigeren dan dient de Raad dit schriftelijk mee te delen aan de GI, die de Raad dan kan verzoeken het oordeel van de rechtbank te vragen. De Raad moet binnen twee weken na het verzoek van de GI het oordeel van de rechtbank vragen. In dat geval kan de rechtbank de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken (art. 1:267 lid 2 BW Pro).
4.9.
Gelet op het vorenstaande voorziet de wet niet in de mogelijkheid om het gezag van de ene ouder in het kader van artikel 1:268 BW Pro te schorsen op verzoek van de andere ouder. Nu de vrouw niet behoort tot de kring van verzoekers die om een schorsing van het gezag op grond van artikel 1:268 BW Pro kan verzoeken en het verzoek derhalve niet op de wet is gebaseerd, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om het gezag van de man over de minderjarigen te schorsen reeds op die grond moeten afwijzen. Aan een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek komt de rechtbank derhalve niet toe. Dit neemt niet weg dat de rechtbank in de onderhavige situatie wel aanleiding ziet om de Raad te verzoeken om vooruitlopend op en ten behoeve van de bodemprocedure met spoed onderzoek te verrichten naar het gezag over de minderjarigen en de (on)mogelijkheden van de ouders om hier in de toekomst samen invulling aan te geven. De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen wenselijk dat hier voor de invrijheidstelling van de man, die voorzien wordt in november 2026, duidelijkheid over komt. Mocht de Raad gedurende het onderzoek ernstig vermoedens krijgen dat er sprake dient te zijn van een kinderbeschermende maatregel of vaststellen dat er alsnog aanleiding is om schorsing van het gezag te verzoeken, dan kan de Raad een verzoek daartoe bij de rechtbank indienen.
De voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
4.10.
De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgelegd in het vonnis van 13 december 2023, hersteld bij herstelvonnis van 8 januari 2024, naar voren gebracht dat hij per 24 november 2026 in vrijheid wordt gesteld en vanaf dat moment graag weer fysiek contact met de minderjarigen zou willen. Hij begrijpt dat de minderjarigen zijn veroordeling moeten verwerken, maar die veroordeling is onterecht en hij blijft hun vader. Daarbij komt dat er nooit sprake is geweest van een onveilige situatie voor de minderjarigen in zijn bijzijn. Voor de minderjarigen hun identiteitsvorming is het noodzakelijk dat zij op een structurele wijze contact met de man hebben. Het volledig ontbreken van iedere vorm van contact is dan ook niet in het belang van de minderjarigen. De man is zich er terdege van bewust dat herstel van contact zorgvuldig, gefaseerd en volledig in het belang van de minderjarigen dient plaats te vinden. Verder heeft de man aangegeven dat hij kan instemmen met een raadsonderzoek, maar in de tussentijd dient er wel enig vorm van contact tussen de man en de minderjarigen te zijn. Nu de vrouw duidelijk aangeeft dat zij niet voornemens is deze regeling na te komen, dient aan de nakoming van de zorgregeling een dwangsom te worden verbonden.
4.11.
De vrouw voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de man. De man is na het vonnis waarvan nakoming wordt verzocht veroordeeld tot het plegen van seksuele ontucht met het aan de zorg van partijen toevertrouwde minderjarige nichtje jonger dan 12 jaar, in hun eigen huis, en voor het in bezit hebben en verwerven van kinderporno. De vrouw acht het contact tussen de man en de minderjarigen daarom onveilig en niet in hun belang. De vrouw heeft bovendien vermoedens dat de man hun dochters seksueel misbruikt heeft. Het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd dat daar onvoldoende bewijs voor is en de man daarom niet vervolgd, maar dit doet er niet aan af dat de vrouw hier serieuze zorgen over heeft. Temeer nu de man nimmer openheid van zaken heeft gegeven. Daarnaast zijn de omstandigheden veranderd. De vrouw ziet een duidelijke, positieve gedragsverandering bij de kinderen van partijen sinds zij geen contact meer hebben met de man. Ook zijn de minderjarigen momenteel bang voor de man, met name als hij weer vrij komt, en staan zij niet open voor contact. Sinds partijen uiteen zijn gegaan gaat het beter met de minderjarigen. Zij zijn opgebloeid en vrijer geworden. De man heeft tot voor kort ook nimmer contact met de kinderen gezocht, niet eens een kaartje met hun verjaardagen gestuurd. Nu ineens weer starten met contact zou een te grote emotionele belasting voor hen zijn. Daarnaast duidt de handelwijze van de man, waaronder het heimelijk plaatsen van een tracker onder de auto van de vrouw en het belemmeren van onderzoek, op een gebrek aan transparantie en verantwoordelijkheid. De man controleert de vrouw nog steeds en probeert zich continu met het leven van de vrouw en de minderjarigen te bemoeien. Dit geeft de vrouw en de minderjarigen een gevoel van onveiligheid. De man is onvoldoende voorspelbaar en betrouwbaar in zijn handelen jegens de minderjarigen (en de vrouw) en dit staat aan contact in de weg. De man ontzeggen van contact met de minderjarigen is nodig om de voorspelbaarheid en rust bij de minderjarigen te borgen en zal bijdragen aan hun gevoel van veiligheid en stabiliteit.
4.12.
De Raad heeft tijdens de zitting geadviseerd om het zelfstandig verzoek van de man af te wijzen, nu het op dit moment niet wenselijk is dat de man en de minderjarigen (begeleide) omgang met elkaar hebben. Na de heftige gebeurtenissen is er momenteel rust en stabiliteit voor de minderjarigen en de vrouw ontstaan. De man blijft weliswaar de vader van de minderjarigen, maar dat de minderjarigen angst voor hem lijken te hebben, hetgeen zich uit in het hebben van nachtmerries en bedplassen, duidt erop dat zij het een en ander nog dienen te verwerken. Er is bovendien gedurende een lange tijd geen enkel contact tussen de man en de minderjarigen geweest. Dit maakt dat bij het opstarten van contact niet alleen de fysieke veiligheid van de minderjarigen, maar ook hun emotionele veiligheid geborgd moet worden. De Raad stelt eveneens voor om onderzoek te verrichten naar een zorgregeling, zodat de rechtbank hierover in de bodemprocedure een weloverwogen beslissing kan nemen in het belang van de minderjarigen. Voor een zorgvuldige en weloverwogen beslissing over de zorgregeling is er zicht nodig op de minderjarigen, zodat duidelijk wordt in hoeverre de minderjarigen (een vorm van) contact met de man kunnen dragen zonder dat hun emotionele en fysieke ontwikkeling en veiligheid in het gedrang komt. De Raad heeft toegezegd ook dit onderzoek met urgentie te kunnen oppakken, zodat het onderzoek eind oktober – voor de invrijheidstelling van de man - is afgerond.
4.13.
De rechtbank stelt vast dat de spanningen tussen partijen groot zijn en dat het vertrouwen tussen partijen op dit moment volledig ontbreekt. Daarnaast is er op dit moment nog een hoger beroep aanhangig, en stelt de vrouw dat de man mogelijk in verband wordt gebracht met meerdere strafbare feiten. De visie van partijen op hetgeen is gebeurd loopt erg uiteen en de procedures die nog aanhangig zijn geven partijen veel onduidelijkheid en onrust. In het kader van de provisionele procedure die nu aanhangig is, is de vraag aan de orde welke ordemaatregelen er nu genomen moeten worden. Namens de man wordt nakoming verzocht, maar de omstandigheden sinds voornoemd vonnis zijn veranderd. De rechtbank gaat hierbij uit van de huidige stand van zaken en hetgeen nu bekend is. Op dit moment is de man veroordeeld voor het plegen van seksuele ontucht met het nichtje van partijen, een minderjarige jonger dan twaalf jaar en voor het in bezit hebben en het verwerven van kinderpornografie. De man is hiervoor een gevangenisstraf van tweeënveertig maanden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Er loopt nog een hoger beroep tegen voornoemde beslissing. De uitkomst hiervan is nog niet bekend. De man is thans gedetineerd. Vast staat ook dat de minderjarige kinderen van partijen nog erg jong zijn, tussen de drie en tien jaar, en hun vader al geruime tijd, namelijk sinds oktober 2023, in het geheel niet hebben gezien. Verder heeft de vrouw gesteld en is ook uit de kindbrief van het oudste kind van partijen gebleken dat de minderjarigen angst voor hun vader hebben.
4.14.
Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, is het op dit moment voor de rechtbank onvoldoende duidelijk in hoeverre er bij de minderjarigen draagvlak en draagkracht bestaat voor contact met de man. De rechtbank vindt dat, gezien de hiervoor geschetste omstandigheden, conform het advies van de Raad, eerst door een onafhankelijke derde onderzocht moet worden of er bij de minderjarigen ruimte is voor contact met de man en zo ja, hoe dit contact op een voor de minderjarigen zowel fysiek als emotioneel veilige manier kan worden vormgegeven. De rechtbank ziet aldus in de huidige situatie contra-indicaties voor een vorm van contact tussen de man en de minderjarigen, maar zij heeft onvoldoende zicht op de toekomstige situatie.
De rechtbank zal de Raad daarom verzoeken om vooruitlopend op en ten behoeve van de bodemprocedure onderzoek naar te verrichten en nader te adviseren over de vraag of de belangen van de minderjarigen zich tegen een zorgregeling met de man verzetten en zo dit niet het geval is, te adviseren welke regeling het meest passend is voor de minderjarigen. Indien door de Raad begeleiding noodzakelijk wordt geacht, wordt verzocht te adviseren wie aan die begeleiding uitvoering zal kunnen geven, voor welke periode, met welke frequentie en op welke locatie. Het voorgaande maakt dat het verzoek van de man ten aanzien van de zorgregeling in het kader van deze procedure zal worden afgewezen.
Onderzoek Raad voor de Kinderbescherming;
4.15.
Gelet op al het voorstaande, verzoekt de rechtbank de Raad om vooruitlopend op en ten behoeve van de tussen partijen aanhangige bodemprocedure bekend onder kenmerk C/02/444645 / FA RK 26-571 onderzoek te verrichten ter beantwoording van de navolgende vragen:
- bestaat er, als de ouders samen het gezag houden, een onacceptabel risico dat de minderjarigen klem komen te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van de minderjarigen om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- zijn er contra-indicaties voor omgang tussen de man en de minderjarigen, en zo ja, welke? In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Zo nee, welke vorm van contact tussen de man en de minderjarigen komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen? Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie op een voor de minderjarigen fysiek en emotioneel veilige wijze vorm gegeven te worden?
Mocht de Raad gedurende het onderzoek ernstig vermoedens krijgen dat er sprake dient te zijn van een kinderbeschermende maatregel of vinden dat aan gronden van een schorsing van het gezag is voldaan, dan kan de Raad daartoe een verzoek bij de rechtbank indienen.
4.16.
De man heeft ter zitting toegezegd de minderjarigen niet op te halen of anderszins zonder toestemming te benaderen voor of na zijn vrijlating. De rechtbank gaat ervan uit dat de man deze toezegging zal nakomen. Dit brengt ook met zich mee dat contact tussen de man en de minderjarigen voorlopig is uitgesloten, in ieder geval totdat de rechtbank op basis van het raadsonderzoek een nadere beslissing heeft genomen over een eventuele zorgregeling tussen de man en de minderjarigen. De rechtbank acht het daarom van belang dat, gelet op de aanstaande vrijlating van de man in november van dit jaar, het raadsonderzoek zo spoedig mogelijk wordt afgerond. Het is wenselijk, maar eigenlijk ook noodzakelijk, dat voordat de man vrijkomt een nieuwe mondelinge behandeling plaatsvindt en het raadsrapport- en advies gereed ligt. Vanwege de spanningen die de vrijlating van de man met zich meebrengt voor de vrouw en de minderjarigen en om tijdig duidelijkheid te bieden aan alle betrokken partijen over wat hen mogelijk te wachten staat, is het van belang dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid over de situatie bestaat. Ook de man heeft hier recht op. Hoewel er sprake is van een wachttijd bij de Raad voor het uitvoeren van gezag- en omgangsonderzoeken, heeft de Raad ter zitting toegezegd dit onderzoek met spoed op te pakken en prioriteit te geven, zodat het eind oktober kan worden afgerond. De rechtbank zal de Raad dan ook verzoeken om het rapport en advies alsdan in te dienen, met een afschrift aan de (advocaten) van partijen en verzoekt (de advocaten van) partijen om in de bodemprocedure, bekend onder zaaknummer C/02/444646 / FA RK 26-572, hun verhinderdata voor november 2026 over te leggen, zodat tijdig een mondelinge behandeling kan worden gepland.
Voorlopige informatieregeling
4.17.
De man heeft verzocht dat de vrouw de informatieregeling zoals overeengekomen bij vonnis van 13 december 2023 dient na te komen, dan wel (zo blijkt uit de toelichting ter zitting) een informatieregeling te bepalen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere maand dat zij zich niet (althans niet volledig) aan deze informatieregeling houdt, met een maximum van € 40.000,-. Hij stelt daartoe dat de vrouw de informatieregeling tot op heden niet is nagekomen. Ondertussen heeft de man de minderjarigen al ruim twee jaar niet gezien en heeft hij geen idee hoe het met ze gaat. Nu de vrouw tot op heden de informatieregeling nog niet is nagekomen en hij er geen vertrouwen in heeft dat de vrouw dit nu wel zal doen, dient aan de nakoming van de zorgregeling een dwangsom te worden verbonden. De advocaat van de man is bereid om in het kader van de informatieregeling informatie over de minderjarigen aan haar geeft door te geven aan de man.
4.18.
De vrouw voert verweer tegen dit verzoek van de man. Zij acht het niet in het belang van de minderjarigen om informatie met foto’s over hen aan de man te verstrekken. Sinds kort is de man weer geïnteresseerd in de minderjarigen, maar eerder heeft hij niet naar hen geïnformeerd. Daarbij komt dat de man het vertrouwen van de vrouw en de minderjarigen heeft geschonden waardoor zij tot op de dag van vandaag in een onzekere situatie verkeren en bang voor hem zijn. Contact met de man roept bij de vrouw veel spanning en emoties op, omdat zij wordt herinnerd aan de strafbare feiten die hij heeft gepleegd. Ook contact met de man via de advocaat van de man, levert te veel onrust bij de vrouw op. Verder vreest de vrouw ervoor dat de foto’s van de minderjarigen in verkeerde handen terechtkomen, nu de man is veroordeeld voor het verwerven van kinderpornografie. Dat risico wil de vrouw niet nemen.
Mocht er door de rechtbank een informatieregeling worden vastgesteld, dan heeft de vrouw aangegeven daaraan mee te willen werken. De vrouw is wel bereid om aan de advocaat van de man informatie over de kinderen te verstrekken. De advocaat van de vrouw is niet bereid om hier een rol in te spelen.
4.19.
De Raad heeft ter zitting geadviseerd om de door de man verzochte informatieregeling toe te wijzen. De man heeft namelijk recht op informatie over de minderjarigen. Ook met het oog op de toekomst is het wenselijk dat hij op de hoogte is van de ontwikkeling van de minderjarigen. Echter is het begrijpelijk dat direct contact met de man te belastend voor de vrouw is. Het is dan ook in deze situatie het meest passend dat de vrouw de man via de advocaat van de man informeert over de minderjarigen.
4.20.
De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de man samen met de vrouw met het ouderlijk gezag is belast, geldt ten aanzien van de informatieregeling artikel 1:253a lid 2 onder c BW. Hierin is bepaald dat de rechtbank (onder andere) een regeling kan treffen over de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de minderjarige wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft.
4.21.
De informatieregeling zoals genoemd in het vonnis van 13 december 2023, hersteld bij herstelvonnis van 8 januari 2024, was een partijafspraak en is niet opgenomen in het dictum van voornoemd vonnis. Het verzoek tot nakoming van deze regeling zal derhalve worden afgewezen. De rechtbank zal evenwel een informatieregeling vaststellen, nu de man recht heeft op informatie over de minderjarigen. De advocaat van de man heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bereid verklaard om als tussenpersoon te fungeren. De vrouw vindt rechtstreeks contact met de man belastend, maar heeft zich wel bereid verklaard om informatie over de minderjarigen aan de advocaat van de man te verstrekken, zodat zij deze informatie kan doorgeven aan de man. De rechtbank ziet aldus aanleiding om, als voorlopige informatieregeling, te bepalen dat de vrouw de man via zijn advocaat iedere maand schriftelijk informeert over de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarigen én bij (medische) calamiteiten onmiddellijk. Daarbij hoeft zij geen foto’s van de minderjarigen aan de man te verstrekken. De rechtbank begrijpt dat de vrouw nog steeds veel stress, mentale belasting en spanningen ervaart bij (zowel direct als indirect) contact met de man. Gelet op de feiten waar de man vooralsnog strafrechtelijk voor veroordeeld is, acht de rechtbank het aannemelijk dat het versturen van foto’s van de minderjarigen aan de man tot extra spanning en belasting bij haar leidt, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank thans niet van haar kan worden gevergd en ten koste gaat van haar beschikbaarheid en stabiliteit voor de minderjarigen.
4.22.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een dwangsom te verbinden aan de informatieregeling. Ten tijde van de tussen partijen overeengekomen informatieregeling waren de omstandigheden anders dan thans het geval is. De ontwikkelingen nadien en de veroordeling van de man heeft een grote impact gehad op de vrouw, waaronder het verlies van vertrouwen in de man. Daarnaast heeft de vrouw tijdens de zitting onweersproken naar voren gebracht dat de man tot medio november 2025 in het geheel niet naar de minderjarigen heeft geïnformeerd en dat dus niet alleen aan haar kan worden verweten dat zij de destijds afgesproken regeling niet is nagekomen. De man heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. Tegen deze achtergrond kan het niet zonder meer aan de vrouw worden tegengeworpen dat zij de informatieregeling eerder niet is nagekomen. Dat de vrouw de beslissing van de rechtbank niet zal nakomen, wanneer geen dwangsom is bepaald, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven bereid te zijn om de man via zijn advocaat te informeren over de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarigen, mocht de rechtbank een informatieregeling vastleggen. De rechtbank zal dan ook de door de man verzochte dwangsom afwijzen.
Proceskosten
4.23.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist:
5.1.1
dat de vrouw de man via zijn advocaat iedere maand schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn de minderjarigen én dat de vrouw de man ten aanzien van (medische) calamiteiten via zijn advocaat onmiddellijk informeert, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.21 is overwogen;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
verzoekt de Raad om onderzoek te doen naar de vragen vermeld onder rechtsoverweging 4.15. en daarover te rapporteren en te adviseren in de bodemprocedure, bekend onder kenmerk C/02/444645 / FA RK 26-571, en het gevraagde rapport en advies uiterlijk
op de familiekamerrol van dinsdag 27 oktober 2026bij de rechtbank in te dienen onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten van) partijen, zodat dit rapport en advies meegenomen kan worden op de mondelinge behandeling die gepland zal worden in november 2026;
5.4.
verzoekt (de advocaten van) partijen om in de bodemprocedure, bekend onder zaaknummer C/02/444646 / FA RK 26-572, zo spoedig mogelijk hun verhinderdata voor november 2026 over te leggen, zodat tijdig een mondelinge behandeling kan worden gepland;
5.5.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, (kinder)rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. De Haard, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.