ECLI:NL:RBZWB:2026:5533

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
AWB-25_5419
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens geschonden vertrouwensbeginsel

Belanghebbende parkeerde op 11 mei 2025 zijn auto op een locatie waar parkeerbelasting verschuldigd was. Tijdens een controle omstreeks 16:05 uur werd geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. De heffingsambtenaar legde daarop een naheffingsaanslag op van €81,65, bestaande uit belasting en kosten.

Belanghebbende stelde dat hij kort na het parkeren zijn parkeeractie via een app had gestart en dat de controleambtenaar had toegezegd de naheffingsaanslag te laten vervallen. De heffingsambtenaar betwistte dit en stelde dat de controleambtenaar niet bevoegd was om een dergelijke toezegging te doen.

De rechtbank oordeelde dat het handelen van de controleambtenaar een gedraging van de overheid is waarop belanghebbende mocht vertrouwen. Omdat de toezegging niet werd weersproken en de bevoegdheid van de controleambtenaar niet was aangetoond, werd het opleggen van de naheffingsaanslag in strijd geacht met het vertrouwensbeginsel.

Daarom werd het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar vernietigd, en werd de heffingsambtenaar verplicht het griffierecht te vergoeden.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd wegens schending van het vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/5419

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en
de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland ,de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 september 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegd (de naheffingsaanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]
1.4.
Bij het sluiten van het onderzoek heeft de rechtbank aangekondigd na zes weken uitspraak te doen. Deze termijn is niet haalbaar gebleken.

Feiten

2. Belanghebbende heeft op 11 mei 2025 een auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de [straat] te [locatie] . Tijdens een controle omstreeks 16:05 uur is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan, terwijl op dat tijdstip parkeerbelasting was verschuldigd.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 81,65 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,85 en € 78,80 aan kosten van de naheffingsaanslag.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
4. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 11 mei 2025 omstreeks 16:05 uur geparkeerd stond aan de [straat] te [locatie] en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Belanghebbende stelt dat hij zijn auto om 16:01 uur heeft geparkeerd en kort voor het parkeren zijn familie heeft afgezet bij de strandopgang met de strandbagage. Ter onderbouwing van de aankomsttijd heeft belanghebbende de ritadministratie van de auto overgelegd. Belanghebbende kwam er na het parkeren achter dat hij zijn telefoon niet bij zich had, maar deze in de tas zat met strandbagage. Vervolgens is belanghebbende naar zijn familie gelopen en heeft hij om 16:06 uur de parkeeractie middels de ANWB-app aangezet. Belanghebbende stelt aanvullend dat de controlerend ambtenaar heeft toegezegd om de naheffingsaanslag te laten vervallen.
4.1.
De heffingsambtenaar stelt dat de parkeerbelasting niet bij aanvang van parkeren was voldaan en dat geen geldige parkeeractie controleerbaar zichtbaar was. Ten tijde van de controle is belanghebbende niet bij of nabij zijn voertuig gezien en is ook niemand bij de parkeerautomaten waargenomen. De omstandigheid dat belanghebbende zijn telefoon moest ophalen bij de strandopgang is een persoonlijke omstandigheid die voor rekening en risico van belanghebbende komt, aldus de heffingsambtenaar. Verder is de controleambtenaar niet bevoegd om een toezegging te doen over het laten vervallen van een naheffingsaanslag.
4.2.
De rechtbank gaat om proceseconomische redenen allereerst in op het argument van belanghebbende dat de controlerend ambtenaar heeft toegezegd dat de naheffingsaanslag verminderd zou worden. De rechtbank vat dit argument op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Relevant daarbij acht de rechtbank dat door belanghebbende beschreven gang van zaken niet is weersproken door de heffingsambtenaar. Gelet daarop kon belanghebbende redelijkerwijs afleiden dat er geen naheffingsaanslag parkeerbelasting zou worden opgelegd. Het handelen van de controlerend ambtenaar is in dit verband te scharen onder een gedraging van de zijde van de overheid. [2] Belanghebbende hoefde niet te beseffen dat de controleambtenaar daar niet toe bevoegd is. [3] De rechtbank voegt daar aan toe dat de gestelde onbevoegdheid van de betreffende controleambtenaar overigens niet is gestaafd aan de hand van stukken. Niet duidelijk is wie de controleambtenaar was en of deze persoon die bevoegdheid inderdaad niet heeft. Het oordeel van de rechtbank is dat het opleggen van een navorderingsaanslag in strijd is met het in rechte te beschermen opgewekte vertrouwen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar worden vernietigd.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de naheffingsaanslag;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M.C. Oomen, griffier, op 23 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.
3.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 21 juni 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE4840.