ECLI:NL:RBZWB:2026:5528

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
23/11889
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling BPMArtikel XXXVIII Belastingplan 2021Wet BPM 1992Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM na correctie historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen van € 4.623 en een belastingrentebeschikking van € 50, welke zij betwist. De inspecteur baseerde de aanslag op een hertaxatie door DRZ, waarbij de taxatiemethode werd afgewezen vanwege het niet voldoen aan de eenmaandstermijn en toepassing van het recht van 2022.

De rechtbank oordeelt dat het overgangsrecht niet van toepassing is en bevestigt dat de Wet BPM 2022 geldt. Het taxatierapport voldoet niet aan de voorwaarden omdat het na de RDW-keuring is opgesteld. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs vast op € 148.093 en accepteert de handelsinkoopwaarde van € 64.647 uit de koerslijst van Xray, ondanks het hogere aankoopbedrag van € 72.000.

Hierdoor wordt de verschuldigde BPM vastgesteld op € 18.384, verminderd met reeds betaalde € 14.256, resulterend in een naheffingsaanslag van € 4.128. De belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig verminderd. Tevens kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank zelf. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM en belastingrente worden verminderd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11889

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan 123BPM.nl),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.623 (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig heeft de inspecteur € 50 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur,
mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht, maar tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 9 januari 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Land Rover Range Rover Sport - 3.0 SDV6 HSE Dynamic met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto). Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 14.256.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport van 4 januari 2022 bij de aangifte gevoegd. Bij de aangifte heeft belanghebbende een inkoopfactuur overgelegd waaruit volgt dat de aankoopprijs van de auto € 72.000 bedroeg.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 18.879 en de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd (zie 1.1).
3.3.
Belanghebbende heeft op 30 december 2021 een e-mail van de RDW ontvangen. In dat e-mailbericht staat (onder meer) het volgende:

Uw aanvraag voor het voertuig met het voertuigidentificatienummer [VIN-nummer] is op 30 december 2021 succesvol afgehandeld in overeenstemming met de tijdelijke importprocedure voor individuele inschrijving die we hebben vastgesteld. De aanvraag is administratief afgehandeld, zonder dat het voertuig fysiek is gecontroleerd.
(…)
De bevestiging van inschrijving (BIN) ontvangt u digitaal nadat wij een fiscaal akkoord hebben ontvangen van de Belastingdienst.

Motivering

Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode
4.1.
De inspecteur heeft gesteld dat voor de Bpm het recht van 2022 moet worden toegepast, aangezien de inschrijving in het kentekenregister volgens gegevens van de RDW heeft plaatsgevonden op 11 januari 2022. De taxatiemethode mag niet worden toegepast, aangezien het taxatierapport van belanghebbende is opgesteld op 4 januari 2022 en de auto op 30 december 2021 door de RDW is gekeurd. Hierdoor voldoet het taxatierapport niet aan de eenmaandstermijn [2] , aldus de inspecteur.
4.2.
Belanghebbende stelt primair dat het overgangsrecht van artikel XXXVIII van het Belastingplan 2021 van toepassing is. Volgens belanghebbende klopt de door de inspecteur genoemde inschrijvingsdatum niet, gelet op de brief van de RDW van 30 december 2021 (zie 3.3). Daaruit volgt dat de RDW de aanvraag voor individuele inschrijving op 30 december 2021 heeft afgehandeld. Volgens belanghebbende moet daarom worden uitgegaan van de Wet Bpm zoals deze luidde in 2021.
Voor het geval de rechtbank concludeert dat toch moet worden uitgegaan van het moment van inschrijving van 11 januari 2022, is belanghebbende van mening dat het taxatierapport is opgesteld binnen één maand vóór het moment waarop de Bpm verschuldigd is geworden. Belanghebbende wijst erop dat uit de gegevens van de RDW niet volgt op welke datum de auto is goedgekeurd (de vaststeldatum Bpm is niet geregistreerd) en stelt dat moet worden geoordeeld dat de goedkeurdatum (of vaststeldatum) op dezelfde dag als de datum van inschrijving (11 januari 2022) is gelegen.
Voor het geval dat toch moet worden uitgegaan van de (goed)keuringsdatum 30 december 2021, stelt belanghebbende dat artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm niet zo kan worden uitgelegd dat het niet is toegestaan om een taxatierapport te gebruiken waarin de auto enkele dagen na de keuring door de RDW is geschouwd. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel.
4.3.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat het overgangsrecht van toepassing is. Uit het door belanghebbende overgelegde e-mailbericht van de RDW volgt dat een bevestiging van inschrijving wordt gegeven nadat de Belastingdienst fiscaal akkoord heeft verleend (zie 3.3). Hieruit leidt de rechtbank af dat de inschrijving in het kentekenregister nog niet heeft plaatsgevonden op 30 december 2021. Uit het kentekenregister volgt bovendien dat de inschrijving pas op 11 januari 2022 heeft plaatsgevonden. Nu niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het overgangsrecht, dient de Wet Bpm te worden toegepast zoals deze luidde in 2022.
4.4.
Verder gaat de rechtbank gelet op de e-mail van 30 december 2021 ervan uit dat de keuring van de RDW op 30 december 2021 heeft plaatsgevonden. Het taxatierapport is dan na het moment van keuring opgesteld. Het taxatierapport voldoet daarom niet aan de voorwaarden. Per 1 januari 2022 bepaalt namelijk artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op de regeling is hierover verder het volgende vermeld:
“Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.”
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van Pro de Wet Bpm. Gelet op de door de staatssecretaris gegeven toelichting, kan artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld na het afschrijvingsmoment. Die lezing druist – gelet op de feiten en omstandigheden van het geval – niet in tegen enig rechtsbeginsel. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet.
Koerslijstmethode
Historische nieuwprijs
4.6.
Voor dat geval voert belanghebbende aan dat de verschuldigde Bpm dient te worden bepaald aan de hand van de koerslijstmethode. In dat kader voert belanghebbende aan dat de historische nieuwprijs van de auto – gelet op het arrest van de Hoge Raad van
22 december 2023 [3] – moet worden vastgesteld op € 148.093.
4.7.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 is de rechtbank van oordeel dat voor de vaststelling van de historische nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de historische bruto Bpm aan de hand van de CO2-uitstoot van de auto zelf. Tussen partijen is niet in geschil dat de historische bruto Bpm, uitgaande van een CO2-uitstoot van
246 gr/km WLTP, € 51.326 bedraagt.
4.8.
Evenmin is in geschil dat de netto catalogusprijs van de referentieauto uit de door DRZ gehanteerde koerslijst € 79.973 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de bepaling van de historische nieuwprijs niet van deze netto catalogusprijs uit te gaan. Vermeerderd met btw en een historische bruto Bpm van € 51.326, stelt de rechtbank de historische nieuwprijs vast op € 148.093. Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende.
Handelsinkoopwaarde
4.9.
Voor de handelsinkoopwaarde dient volgens belanghebbende aangesloten te worden bij de handelswaarde van € 64.647 die volgt uit de koerslijst van Xray die bij het hertaxatierapport van DRZ is gevoegd. De inspecteur betwist dat de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst van Xray tot uitgangspunt moet worden genomen. Daartoe voert de inspecteur (onder meer) aan dat moet worden uitgegaan van de aankoopprijs van € 72.000 die belanghebbende voor de auto heeft betaald. Subsidiair stelt de inspecteur dat een hogere historische nieuwprijs meebrengt dat tevens van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan, omdat rekening moet worden gehouden met een hogere CO2-uitstoot.
4.10.
Belanghebbende is van mening dat de koerslijst niet terzijde kan worden geschoven en doet in dat kader een beroep op het intern beleid van de inspecteur. In de (interne) correspondentie van de Belastingdienst die belanghebbende aan zijn betoog ten grondslag legt [4] , is door de Belastingdienst aangegeven dat het niet overeenkomt met het beleid binnen de Belastingdienst en ook niet de bedoeling is om in individuele gevallen de koerslijstwaarde ter zijde te stellen met een beroep op de stelling dat de koerslijst niet is gebaseerd op handelstransacties. Verder staat in die correspondentie dat de inspecteur dient te blijven beoordelen of de koerslijst daadwerkelijk overeenkomt met het voertuig uit de aangifte en of er sprake is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot. Daarbij is opgemerkt dat kleinere verschillen toepassing van de koerslijst niet verhinderen.
4.11.
De rechtbank overweegt dat een belastingplichtige de waardedaling van een gebruikt motorrijtuig (onder meer) aannemelijk kan maken met een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de enkele omstandigheid dat de aankoopprijs van de auto hoger is dan de handelsinkoopwaarde die volgt uit de koerslijst van Xray, niet mee dat dat deze koerslijst niet meer kan worden toegepast.
4.12.
De rechtbank volgt de inspecteur evenmin in zijn standpunt dat de koerslijst buiten beschouwing moet blijven wegens het verschil in CO2-uitstoot van 8 gr/km tussen de auto en het referentievoertuig. Uit het intern beleid van de Belastingdienst blijkt immers dat geringe verschillen in CO2-uitstoot de toepassing van de koerslijst niet verhinderen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de eigen deskundige van de inspecteur deze koerslijst ook als uitgangspunt heeft genomen, dat de relevante voertuigkenmerken in de koerslijst zijn verwerkt en niet is gebleken dat sprake is van bijzondere kenmerken of eigenschappen die een afwijking van de koerslijst rechtvaardigen.
4.13.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de handelsinkoopwaarde kan worden vastgesteld aan de hand van de koerslijst van Xray, en wijzigt in dit geval het afschrijvingspercentage van de auto.
Hoogte naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking
4.14.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 148.093, een handelsinkoopwaarde van € 64.547 en een bruto Bpm van € 42.180, stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 18.384. Omdat belanghebbende op aangifte reeds een bedrag van € 14.256 heeft voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 4.128. De belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd.
Immateriële schadevergoeding
4.15.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.16.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 25 augustus 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 23 juni 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond tien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000.
4.17.
Omdat de termijnoverschrijding volledig aan de rechtbank is te wijten komt dit bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.128. De belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig verminderd. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.000.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden, en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.2.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal
€ 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.128;
  • vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 23 juni 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De griffier is niet in staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Bpm.
3.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
4.E-mail van 15 april 2024 met als titel Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten.