Belanghebbende maakte bezwaar tegen de belastingrentebeschikking die de inspecteur had opgelegd bij de aanslag inkomstenbelasting 2021. De inspecteur had belastingrente van €188 berekend over een periode van 1 juli 2022 tot en met 21 oktober 2022, na afwijking van de ingediende aangifte.
De rechtbank oordeelt dat de belastingrente terecht is berekend omdat de aanslag niet overeenkomstig de aangifte is vastgesteld en de aangifte niet tijdig was ingediend. Het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend, is correct toegepast en zelfs korter dan wettelijk mogelijk was. Het tijdstip van oplegging van de aanslag beïnvloedt het rentebedrag niet.
Belanghebbende stelde dat het rentepercentage te hoog was en dat het motiveringsbeginsel en gelijkheidsbeginsel waren geschonden. De rechtbank verwijst naar een recent arrest van de Hoge Raad waarin het rentepercentage niet in strijd wordt geacht met het evenredigheidsbeginsel en het eigendomsrecht. Ook is het motiveringsbeginsel niet geschonden omdat de inspecteur in bezwaar de berekening heeft toegelicht.
De rechtbank wijst het beroep af, bevestigt de belastingrentebeschikking en verklaart dat het griffierecht terecht is geheven. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.