Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5522

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/8537
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30fc AWRArt. 9 Invorderingswet 1990Art. 11 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belastingrente aanslag inkomstenbelasting 2021 terecht en niet te hoog vastgesteld

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de belastingrentebeschikking die de inspecteur had opgelegd bij de aanslag inkomstenbelasting 2021. De inspecteur had belastingrente van €188 berekend over een periode van 1 juli 2022 tot en met 21 oktober 2022, na afwijking van de ingediende aangifte.

De rechtbank oordeelt dat de belastingrente terecht is berekend omdat de aanslag niet overeenkomstig de aangifte is vastgesteld en de aangifte niet tijdig was ingediend. Het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend, is correct toegepast en zelfs korter dan wettelijk mogelijk was. Het tijdstip van oplegging van de aanslag beïnvloedt het rentebedrag niet.

Belanghebbende stelde dat het rentepercentage te hoog was en dat het motiveringsbeginsel en gelijkheidsbeginsel waren geschonden. De rechtbank verwijst naar een recent arrest van de Hoge Raad waarin het rentepercentage niet in strijd wordt geacht met het evenredigheidsbeginsel en het eigendomsrecht. Ook is het motiveringsbeginsel niet geschonden omdat de inspecteur in bezwaar de berekening heeft toegelicht.

De rechtbank wijst het beroep af, bevestigt de belastingrentebeschikking en verklaart dat het griffierecht terecht is geheven. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de belastingrentebeschikking wordt ongegrond verklaard en de belastingrente blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8537

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Duitsland), belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 december 2024. Het beroep ziet alleen op de daarin genomen beslissing ten aanzien van de belastingrentebeschikking.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.986 (de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 188 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de belastingrentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de belastingrentebeschikking terecht en niet een te hoog bedrag vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. De inspecteur heeft op 10 juni 2022 de aangifte IB over 2021 ontvangen. In deze aangifte heeft belanghebbende vermeld dat hij het gehele jaar buitenlands belastingplichtige was en pensioenuitkeringen heeft genoten ter hoogte van € 74.321.
3.1.
De inspecteur heeft de aanslag opgelegd met dagtekening 8 oktober 2024. De inspecteur is hierbij afgeweken van de aangifte. De daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 188 is berekend over de periode van 1 juli 2022 tot en met 21 oktober 2022.

Motivering

Vooraf griffierecht
4. Belanghebbende heeft in het nader stuk van 8 september 2025 gevraagd of eenmaal het griffierecht is verschuldigd in de zaken BRE 24/7459, 24/8537 en 25/2665. De rechtbank stelt vast dat de beroepen zijn ingesteld met drie aparte beroepschriften op verschillende data. In dat geval is geen sprake van samenhang voor het griffierecht. Er is daarom terecht driemaal griffierecht geheven.
De belastingrente
4.1.
Belanghebbende stelt dat de belastingrente ten onrechte in rekening is gebracht, omdat hij de aangifte tijdig heeft ingediend en tijdig heeft betaald. Daarnaast betoogt belanghebbende dat het bedrag aan rente te hoog is, omdat het percentage van de belastingrente te hoog is en doordat meer belastingrente verschuldigd is naarmate de inspecteur langer wacht met het opleggen van de aanslag. Tot slot stelt belanghebbende dat het motiveringsbeginsel is geschonden omdat de inspecteur het rentepercentage niet in de aanslag heeft vermeld.
4.2.
De rechtbank overweegt dat belastingrente in rekening wordt gebracht indien een aanslag inkomstenbelasting met een te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld na het verstrijken van 6 maanden vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. [2] De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag invorderbaar wordt. [3] Indien de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte. [4] Ingeval de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de aangifte en die aangifte is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, wordt geen belastingrente in rekening gebracht. [5]
4.3.
Voor de berekening van de belastingrente is niet relevant of belanghebbende het bijbehorende belastingbedrag al dan niet tijdig heeft betaald. De omstandigheid dat belanghebbende de belasting tijdig heeft betaald, brengt niet mee dat de belastingrente ten onrechte in rekening zou zijn gebracht.
4.4.
De inspecteur heeft de aanslag niet opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Belanghebbende heeft de aangifte IB over 2021 ook niet ingediend voor 1 mei 2022. Op basis van de in 4.2 genoemde wettelijke regeling had de belastingrente dan moeten worden berekend tot en met 18 december 2024. De inspecteur heeft de belastingrente over 2021 berekend over de periode van 1 juli 2022 tot en met 21 oktober 2022 (zijnde 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte IB 2021). De belastingrente is dus berekend over een kortere periode dan de wet voorschrijft.
4.5.
Onder omstandigheden kunnen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, echter meebrengen dat berekening van belastingrente achterwege moet blijven of worden beperkt. [6] Naar het oordeel van de rechtbank doen zich dergelijke omstandigheden zich in dit geval niet voor.
4.6.
De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat dat de belastingrentebeschikking moet worden vernietigd of gematigd omdat de inspecteur een te lange behandeltermijn heeft gehanteerd alvorens de aanslag op te leggen. De inspecteur heeft een termijn van drie jaren na afloop van het belastingjaar om de aanslag op te leggen. [7] De inspecteur kan niet worden verplicht de aanslag eerder op te leggen. Hierbij merkt de rechtbank op dat het in rekening gebrachte bedrag aan belastingrente in dit geval niet afhankelijk was van het moment waarop de aanslag is opgelegd. De inspecteur heeft immers het moment van uiterlijk 19 weken na ontvangst van de aangifte gehanteerd als einddatum van het belastingrentetijdvak. Verder kan de ontvanger niet direct na ontvangst van de aangifte tot invordering overgaan, eerst moet de belastingschuld worden vastgesteld in de aanslag.
Het belastingrentepercentage
4.7.
Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat het percentage van de belastingrente te hoog is, overweegt de rechtbank dat uit het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 [8] volgt dat het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting dat aan belanghebbende in rekening is gebracht, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat hiermee evenmin een ongeoorloofde inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
4.8.
De inspecteur hoefde bij het opleggen van de aanslag het bedrag van de in rekening gebrachte belastingrente nog niet te motiveren. In bezwaar heeft belanghebbende om een nadere toelichting gevraagd. De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar onder verwijzing naar de relevante wettelijke bepalingen de berekening van de belastingrente toegelicht. Hierbij heeft de inspecteur gespecificeerd over welke periode de belastingrente is berekend en welk percentage hierbij is gehanteerd. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van het motiveringsbeginsel.
4.9.
Verder betoogt belanghebbende dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat er bij de berekening van de belastingrente geen rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat voor buitenlands belastingplichtigen een andere aangiftetermijn geldt. Belanghebbende had als buitenlands belastingplichtige tot 1 juli 2022 de tijd om aangifte IB 2021 te doen. De aangiftetermijn begon op hetzelfde moment als voor binnenlandse belastingplichtigen en in de uitnodiging staat ook vermeld dat als de aangifte op of na 1 mei 2022 wordt ingediend – net als bij binnenlands belastingplichtigen – mogelijk belastingrente is verschuldigd. Het (internationale) gelijkheidsbeginsel is daarom niet geschonden. Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, maakt ook niet dat enig rechtsbeginsel is geschonden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de belastingrentebeschikking in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 30fc, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
3.Artikel 30fc, tweede lid, van de AWR jo. artikel 9 van Pro de Invorderingswet 1990.
4.Artikel 30fc, derde lid, van de AWR.
5.Artikel 30fc, vierde lid, van de AWR.
6.Vgl. HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126.
7.Artikel 11 van Pro de AWR.
8.Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59.