Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5160

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/5384
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening bij ISD Brabantse Wal

Eiseres ontving een bijstandsuitkering die door ISD Brabantse Wal werd verlaagd vanwege het niet meewerken aan arbeidsinschakeling. Zij diende bezwaar in tegen deze maatregel, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. Eiseres voerde aan dat zij door ernstige ziekte in maart en april 2025 niet in staat was tijdig bezwaar te maken en dat zij bij haar dochter verbleef, waardoor zij haar post niet kon openen.

De rechtbank oordeelde dat eiseres haar stellingen onvoldoende met objectieve medische stukken had onderbouwd. Ook was niet aannemelijk dat zij niet tijdig bezwaar kon maken, aangezien zij vanaf mei 2025 weer in haar woning verbleef, binnen de bezwaartermijn. De door eiseres aangevoerde brand in haar woning en het verlies van stukken waren onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd.

De rechtbank stelde vast dat het aan eiseres was om bewijs te leveren voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding en dat de ISD niet verplicht was medisch onderzoek te verrichten. Gezien het ontbreken van verschoonbare redenen werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend zonder verschoonbare redenen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5384 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en

ISD Brabantse Wal (ISD).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van eiseres. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres volgens de ISD de bezwaargronden niet tijdig heeft ingediend. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de ISD het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ISD het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 10 april 2025 (het primaire besluit) heeft de ISD aan eiseres een maatregel opgelegd van 100% gedurende een maand, verdeeld over drie maanden.
2.1.
Met het bestreden besluit van 8 september 2025 heeft de ISD het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege het overschrijden van de wettelijke termijn voor het indienen van het bezwaarschrift.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens de ISD mr. E.P.C. van der Bom.

Totstandkoming bestreden besluit

Feiten
3. Eiseres ontvangt vanaf 19 maart 2012 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet.
3.1.
Met het primaire besluit heeft de ISD besloten de bijstandsuitkering van de eiseres te verlagen voor de duur van drie maanden met een bedrag van € 448,48,- per maand op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de Participatiewet. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van het door het college aangeboden voorzieningen, waaronder sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en heeft niet meegewerkt aan onderzoek naar haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
In dit besluit is medegedeeld dat het termijn voor het indienen voor een bezwaarschrift zes weken bedraagt en aanvangt op de dag na de verzenddatum van het besluit.
3.2.
Op 24 juli 2025 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
3.3.
De ISD heeft eiseres met een brief van 21 augustus 2025 verzocht aan te geven waarom haar bezwaarschrift buiten de termijn is ingediend.
3.4.
In een brief van 5 september 2025 heeft eiseres laten weten dat zij in de maanden maart en april 2025 ernstig ziek was en niet in staat was voor zichzelf te zorgen. Om die reden verbleef ze niet in haar eigen woning waardoor ze de brieven van het college niet zelf kon openen of tijdig kon reageren op oproepen en brieven. Eiseres heeft hiervoor geen medische verklaring kunnen krijgen, omdat ze in die periode niet naar de huisarts is geweest.
Bestreden besluit
4. Met het bestreden besluit heeft de ISD het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaartermijn is overschreden.
De ISD is van oordeel dat er geen verschoonbare redenen aanwezig zijn voor de overschrijding. Er zijn geen objectiveerbare en verifieerbare gegevens die aantonen dat er een medische noodzaak bestond voor verblijf bij haar dochter. Ook is er geen melding gemaakt van het verblijf bij haar dochter. Daarnaast is niet aangetoond dat eiseres niet in staat was zelf haar post op te halen of derden in te schakelen voor de verzorging van haar post tijdens haar afwezigheid
.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de ISD het bezwaar gericht tegen het primaire besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Wettelijk kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroepsgronden
7. Eiseres voert tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar aan dat in de maanden maart en april 2025 sprake was van ernstige ziekte waardoor zij tijdelijk niet in haar woning verbleef maar bij haar dochter in Den Haag. In die periode is eiseres weliswaar niet naar de huisarts geweest, maar dat ontslaat de ISD niet van de verplichting medisch advies in te winnen over wat eiseres daarover heeft aangevoerd. In zoverre is er dan ook een hiaat in de besluitvorming en is ten onrechte het bezwaar niet alsnog inhoudelijk behandeld.
8. Eiseres heeft brieven van de ISD overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat zij arbeidsongeschiktheid is. Daarnaast geeft eiseres aan in bewijsnood te verkeren omdat haar woning is afgebrand en daardoor stukken verloren zijn gegaan. Eiseres doet in dat kader een beroep op verschoonbare redenen alsmede het evenredigheidsbeginsel.
Oordeel van de rechtbank
9. Niet in geschil is dat het bezwaar van eiseres buiten de wettelijke termijn van zes weken is ingediend, en dat het bezwaarschrift dus te laat is ingediend.
10. Als iemand te laat bezwaar maakt, wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dat is alleen anders wanneer redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit is zo, als er een goede reden is voor de termijnoverschrijding. In dat geval wordt de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht. [1] Het criterium “verschoonbaarheid” is uitgewerkt in rechtspraak van de hoogste bestuursrechters. [2] De termijnoverschrijding is onder andere verschoonbaar als sprake is van bijzondere omstandigheden die de indiener van het bezwaarschrift betreffen. Hierbij valt in de eerste plaats te denken aan persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de indiener zelf
(zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan).In de tweede plaats kan worden gedacht aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen (
zoals een natuurramp, een besmettelijke dierziekte op het bedrijf of een brand in de woning of in een bedrijfspand). Als er een duidelijke verhindering was, is het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift niet verwijtbaar en kan dit niet aan de indiener worden toegerekend.
10.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij om medische redenen niet in staat was om tijdig bezwaar in te dienen. Dit heeft zij onderbouwd met een verklaring van haar dochter die stelt dat eiseres bij haar verbleef in maart en april 2025. De rechtbank overweegt dat eiseres haar standpunt niet met objectieve en verifieerbare medische stukken heeft onderbouwd. Overigens blijkt uit de verklaring van haar dochter, en ook uit de eigen verklaringen van eiseres, dat zij vanaf mei 2025 weer in haar eigen woning verbleef, dit was dus nog binnen de bezwaartermijn (die eindigde op 23 mei 2025). Daarom valt niet in te zien dat eiseres niet tijdig bezwaar kon maken. Redenen waarom eiseres vervolgens pas op 24 juli 2025 een bezwaarschrift heeft ingediend, zijn niet gesteld. Eiseres heeft ook gesteld dat er stukken verloren zijn gegaan bij een brand, maar onduidelijk is om welke stukken het gaat en ook dit is verder niet onderbouwd. Er is geen sprake van een duidelijke verhindering, zodat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is.
10.2.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het op de weg van de ISD had gelegen om te onderzoeken of zij medisch gezien in staat was om bezwaar in te dienen. Het is namelijk aan eiseres om een begin van bewijs van feiten en omstandigheden om verschoonbaarheid aan te nemen te overleggen. De overgelegde brieven van de ISD over ontheffing van de arbeidsverplichting in het kader van de Participatiewet, zijn daarvoor niet voldoende. Op grond van het voorgaande bestond geen aanleiding voor de ISD om nader onderzoek te doen.
10.3.
De ISD heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Er is daarom geen reden voor een proceskostenveroordeling en eiseres krijgt haar griffierecht niet vergoed.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2026 door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:41, eerste lid
De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8, eerste lid
De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 6:9, eerste lid
Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest

Voetnoten

1.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
2.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932.