ECLI:NL:RBZWB:2026:5156
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde bedrijfspand wegens te hoge waardering door gemeente
Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de WOZ-waarderingen van drie onroerende zaken in Tilburg, vastgesteld door de heffingsambtenaar op 1 januari 2024. De rechtbank behandelde de beroepen op 7 mei 2026 en oordeelde dat de WOZ-waarde van het bedrijfspand aan [adres 1] te hoog was vastgesteld. De waardering van het showroom/werkplaatspand aan [adres 2] werd juist bevonden, terwijl het beroep op de bedrijfs-/dienstwoning aan [adres 3] niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank stelde vast dat de objecten aan [adres 1] en [adres 2] geen samenstel vormen vanwege verschillend gebruik en verschillende gebruikers. De heffingsambtenaar kon de hoge waarde van het bedrijfspand niet aannemelijk maken omdat het taxatieverslag te laat was ingediend en buiten beschouwing werd gelaten. Belanghebbende maakte geen aannemelijke alternatieve waardering voor het pand, maar de rechtbank stelde de waarde in goede justitie vast op €7.500.000.
Voor het pand aan [adres 2] werd de waarde van €214.000 bevestigd op basis van een taxatieverslag en vergelijkingsmethode met referentieobjecten. Het beroep op de waarde van [adres 3] werd niet-ontvankelijk verklaard omdat belanghebbende geen nieuwe gronden aanvoerde. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar voor [adres 1], verlaagde de WOZ-waarde en de aanslag OZB dienovereenkomstig, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: WOZ-waarde van het bedrijfspand aan [adres 1] wordt verminderd tot €7.500.000, aanslag OZB dienovereenkomstig aangepast, beroep op andere panden ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard.