Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4935

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
BRE 24/8300
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ArbeidsomstandighedenwetArt. 8.4a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011Art. 31 Wet op de Loonbelasting 1964Art. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 27h AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag loonheffingen en boete wegens gerichte vrijstelling arbovoorzieningen DGA

Belanghebbende B.V. kreeg een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd over de jaren 2018 tot en met 2020, inclusief belastingrente en een verzuimboete. De inspecteur corrigeerde de kosten voor personal training en een sportschoolabonnement van de directeur-grootaandeelhouder (DGA) en diens partner, omdat deze niet als gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen werden erkend.

De rechtbank oordeelde dat er wel sprake is van een gezagsverhouding tussen belanghebbende en de DGA, waardoor de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing is. De kosten voor personal training en het sportschoolabonnement van de DGA vallen binnen de ruime gerichte vrijstelling, mede gelet op recente jurisprudentie en het ontbreken van het direct-verbandcriterium. De kosten voor de partner vallen hier niet onder.

De rechtbank stelde vast dat de inspecteur onvoldoende bewijs leverde voor het niet voldoen aan de gebruikelijkheidstoets en dat de naheffingsaanslag en boete daarom verminderd moesten worden tot de kosten van het familieabonnement. Tevens werd de belastingrente dienovereenkomstig aangepast. De verzuimboete werd passend geacht voor het deel dat wel terecht was opgelegd. De rechtbank kende proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht moet vergoeden.

Uitkomst: De naheffingsaanslag loonheffingen en verzuimboete worden verminderd wegens toepassing van de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen voor de DGA.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8300

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 8 november 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd naar een te betalen bedrag van € 21.345.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 3.335 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 2.133 opgelegd (de boetebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag loonheffingen, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslag loonheffingen, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht maar niet naar de juiste hoogten opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. De heer [directeur belanghebbende] is vanaf 25 maart 2010 de directeur en enig aandeelhouder (DGA) van belanghebbende. De heer [directeur belanghebbende] is de enige werknemer van belanghebbende.
4.1.
Belanghebbende heeft een 51%-belang in [b.v.] en is tevens bestuurder van deze deelneming. De echtgenote van de DGA is in dienstbetrekking bij [b.v.]
4.2.
De activiteiten van belanghebbende bestaan uit beheer- en managementwerkzaamheden voor de deelneming. De deelneming houdt zich bezig met een groothandel in kunstschildersbenodigdheden.
4.3.
Bij belanghebbende heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd met daarin een correctie voor de kosten voor personal training en abonnementen voor een sportschool.

Motivering

Kunnen het verstrekken of vergoeden van de kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA aangemerkt worden als gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen?
Valt een DGA binnen de Arbeidsomstandighedenwet?
5. De inspecteur voert aan dat de DGA geen werknemer of werkgever is maar een zelfstandige. De inspecteur verwijst hierbij naar de wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in 2001 [1] en de wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in 2006 [2] . Hierdoor is artikel 3 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet niet van toepassing omdat daar enkel over werkgevers en werknemers wordt gesproken, aldus de inspecteur. De verstrekking en/of vergoeding van kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool aan de DGA en zijn echtgenote vloeien dan ook niet rechtstreeks voort uit het arbobeleid dat belanghebbende op grond van de Arbeidsomstandighedenwet voert, waardoor deze verstrekkingen en/of vergoedingen niet als gericht vrijgesteld kunnen worden aangemerkt.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is tussen belanghebbende en de DGA wel sprake van een gezagsverhouding waardoor artikel 3 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet wel van toepassing is. Het is namelijk niet relevant of materieel sprake is van een gezagsverhouding. [3] De verwijzingen van de inspecteur brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel omdat deze zien op een later ingevoerd specifiek wetsartikel en niet op de algemene definities van de Arbeidsomstandighedenwet.
Vallen personal training en een sportschoolabonnement binnen de kaders van de Arbeidsomstandighedenwet?
5.2.
Belanghebbende stelt dat de kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA aangemerkt kunnen worden als gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen. Door deze vergoedingen/verstrekkingen zorgt de werkgever namelijk voor de gezondheid van zijn werknemers, wat verplicht is op grond van artikel 3, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. De inspecteur betwist dat sprake is van zorg dragen voor de veiligheid en gezondheid van werknemers door het vergoeding of verstrekking van personal training en sportschoolabonnementen.
5.3.
Advocaat-Generaal [naam] heeft in zijn conclusie van 21 april 2023 geconcludeerd dat het verstrekken van gezonde lunchmaaltijden onder de gerichte vrijstelling valt. [4] De Advocaat-Generaal is onder meer van mening dat het direct-verbandcriterium niet (meer) geldt bij de vraag of voldaan wordt aan artikel 8.4a, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Dit omdat het criterium niet (meer) is opgenomen in de huidige wettekst. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft in de onderhavige zaak ook geen direct verband te zijn met de preventie van ziekteverzuim. De vrijstelling is ruim waardoor ook het verstrekken of vergoeden van de kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA aangemerkt kunnen worden als gerichte vrijstelling. Daarbij maakt de rechtbank wel de kanttekening dat dit alleen geldt voor de DGA en niet voor de kosten die gemaakt zijn voor zijn partner. De kosten voor de partner vallen naar het oordeel van de rechtbank niet onder de gerichte vrijstelling. De partner van de DGA is namelijk geen werknemer van belanghebbende.
Werkplek
5.4.
Belanghebbende stelt dat de arbeidsvoorzieningen wel op de werkplek zijn verbruikt. De inspecteur betwist dit.
5.5.
Uit artikel 8.4a, lid 2, aanhef en onderdeel b van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 volgt dat ook arbovoorzieningen buiten de werkplek kunnen vallen onder de gerichte vrijstelling. Dit komt ook terug in het Handboek Loonheffingen [5] . Naar het oordeel van de rechtbank wordt daardoor aan de voorwaarden van de gerichte vrijstelling voldaan.
Gebruikelijkheidstoets
5.6.
De inspecteur stelt dat niet voldaan wordt aan de gebruikelijkheidstoets van artikel 31, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de Loonbelasting 1964. De vergoedingen/verstrekkingen zijn gelet op de hoogte ongebruikelijk, aldus de inspecteur.
5.7.
Het is aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat vergoedingen/verstrekkingen niet als eindheffingsbestanddeel zijn aan te merken. [6] De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dit standpunt niet te kunnen onderbouwen met data. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur daardoor niet geslaagd in de bewijslast. De inspecteur heeft onvoldoende bewijs geleverd.
Tussenconclusie
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur ten onrechte nageheven over de kosten van het verstrekken of vergoeden voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA. De inspecteur heeft wel terecht nageven over het familieabonnement. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag daarom tot de kosten van het familieabonnement van € 852, zoals de rechtbank dat herleid heeft uit de grootboekrekeningen. Het gaat dan om de posten die zijn omschreven als ‘ [post] ’. Hieruit volgt een te betalen bedrag van € 682 aan loonheffingen.
Is de verzuimboete terecht en naar de juiste hoogte opgelegd?
6. De inspecteur heeft aan belanghebbende bij de naheffingsaanslag loonheffingen een verzuimboete opgelegd van € 2.133, oftewel 10% van de nageheven belasting, omdat belanghebbende te weinig belasting heeft aangegeven en afgedragen. Op grond van artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 [7] respectievelijk € 5.514 [8] opleggen. Een verzuimboete dient achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld of wanneer sprake is van een pleitbaar standpunt.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de verzuimboete voor het deel dat ziet op de personal training en het sportschoolabonnement van de DGA ten onrechte opgelegd omdat de inspecteur over dit deel ten onrechte heeft nageheven. Het deel van de boete dat ziet op het familieabonnement is wel terecht opgelegd. Van afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt is geen sprake. De rechtbank vermindert de boetebeschikking tot € 68. De rechtbank acht de verzuimboete passend en geboden.
Undue delay
6.2.
De rechtbank constateert ambtshalve dat op het moment dat de rechtbank uitspraak doet, 4 juni 2026, sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie met afgerond 7 maanden. De boete is minder dan € 1.000 waardoor de verdragsschending met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden naar het oordeel van de rechtbank voldoende is gecompenseerd. [9]
Belastingrente
7. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag loonheffingen, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking worden verminderd. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het hoorgesprek, met een waarde van € 666 per punt. Ten aanzien van de beroepsfase heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De vergoeding bedraagt in totaal € 3.200. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag loonheffingen tot € 682 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- vermindert de boetebeschikking tot € 68;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [10]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Staatscourant 14 december 2001, nr. 243, pagina 16.
2.Staatsblad 21 december 2006, nr. 647, pagina 65.
3.Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9295.
4.Conclusie A-G [naam] 21 april 2023, ECLI:NL:PRH:2023:449.
5.Handboek Loonheffingen 2018; uitgave 1 oktober 2018, p. 227, Handboek Loonheffingen 2019; uitgave 1 juli 2019, p. 231, Handboek Loonheffingen 2020; uitgave 1 januari 2020, p. 253.
6.Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1050.
7.Voor de jaren 2018 en 2019.
8.Voor het jaar 2020.
9.Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.3.
10.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.