Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarden van een winkel en een woning in Tilburg, vastgesteld op respectievelijk €128.000 en €235.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar had het bezwaar ongegrond verklaard, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde het beroep op 1 april 2026, waarbij belanghebbende niet verscheen ondanks tijdige uitnodiging. De rechtbank beoordeelde of de WOZ-waarden te hoog waren vastgesteld en of de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat belanghebbende voldoende gelegenheid had om gehoord te worden.
De waardebepaling van de winkel was gebaseerd op de huurwaarde-kapitalisatiemethode met vergelijkbare referentieobjecten, en de woning werd gewaardeerd via de vergelijkingsmethode met referentiewoningen. Belanghebbende stelde dat de panden leegstonden en vervallen waren, en dat achterstallig onderhoud onvoldoende was meegenomen. De rechtbank vond dat belanghebbende dit niet aannemelijk had gemaakt en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met onderhoudstoestand en verschillen.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarden niet te hoog waren vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.