ECLI:NL:RBZWB:2026:478

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/8410 PW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:112 AwbWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen aanmaningsbrief terugbetaling niet-ontvankelijk verklaard

Eiseres maakte bezwaar tegen een brief van Orionis waarin een bedrag van €14.052,67 werd opgeëist en een betalingsregeling werd voorgesteld. Orionis verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is, maar een aanmaning.

De rechtbank bevestigt dat een aanmaning tot betaling geen rechtsgevolg heeft en daarom niet als besluit kwalificeert. De brief vermeldde slechts het openstaande saldo en een voorstel tot betaling, zonder nieuwe rechtsgevolgen te creëren. Ook de informatie over mogelijke invordering is geen besluit.

De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep die dit standpunt ondersteunt. Het beroep van eiseres wordt daarom ongegrond verklaard, en zij krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Ponds en griffier C.M.A. Groenendaal op 28 januari 2026 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift wordt ongegrond verklaard omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8410 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.S. Vriend),
en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift dat eiseres heeft ingediend tegen een brief van Orionis van 23 oktober 2024. Orionis heeft dat bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres krijgt dus geen gelijk en haar beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Orionis heeft in een brief van 23 oktober 2024 aan eiseres en de heer [naam] (hierna: [naam] ) laten weten dat zij nog een bedrag verschuldigd zijn van in totaal € 14.052,67. Orionis geeft aan een minnelijke regeling te willen treffen en verzoekt eiseres en [naam] om met ingang van 1 december 2024 maandelijks een bedrag van € 75,- te voldoen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 31 oktober 2024 heeft Orionis het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben, middels een digitale videoverbinding, deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde, [naam] en namens Orionis [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Voor wat betreft de feiten en besluiten die ten grondslag liggen aan de schuld van eiseres (en [naam] ) aan Orionis verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 23 december 2020 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant [1] alsmede naar de uitspraak van vandaag in de procedure met zaaknummer BRE 25/4598 PW.
3.1.
In de brief van 23 oktober 2024 heeft Orionis gemeld dat uit de administratie blijkt dat eiseres en [naam] nog een bedrag van € 14.052,67 verschuldigd zijn. Daarbij geeft Orionis aan dat zij een minnelijke regeling met hen wil treffen. Orionis verzoekt eiseres en [naam] om met ingang van 1 december 2024 maandelijks een bedrag van € 75,- over te maken. Daarna volgt een bezwaarclausule en vervolgens staat in het slot van de brief, onder andere, het navolgende:

Als u niet of niet volledig aan uw betalingsverplichting voldoet dan zullen wij u een aanmaning sturen. Als u hierna nog niet of niet volledig aan uw betalingsverplichting voldoet dan zullen wij u een dwangbevel sturen. Dit dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kan worden gelegd. Dit betekent dat wij met dit dwangbevel beslag kunnen leggen op loon en/of uitkering of de bezittingen van u en/of uw partner. De hieraan verbonden kosten en de wettelijke rente zullen wij aan u doorberekenen.
3.2.
Eiseres heeft op 29 oktober 2024 bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
4. Orionis heeft op 31 oktober 2024 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De brief van 23 oktober 2023 wordt door Orionis gezien als een aanmaning. Een aanmaning tot betaling is niet gericht op een rechtsgevolg en is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, van de Awb. Orionis verwijst daarbij naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 mei 2020. [2]
Wettelijk kader
5. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB [3] is een schriftelijke mededeling over de hoogte van een te betalen bedrag, waarover in het verleden al besluiten zijn genomen, niet op rechtsgevolg gericht en daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Beoordeling van de rechtbank
6. In de brief wordt slechts opgave gedaan van het saldo van het door eiseres nog terug te betalen bedrag, waarover in het verleden al besluiten zijn genomen. Ook de daarbij door Orionis voorgestelde betalingsregeling heeft op zichzelf geen rechtgevolg. Dat geldt eveneens voor de aan het slot opgenomen informatie over de wijze van invordering. Overigens is deze brief, anders vermeld in het bestreden besluit, (nog) geen aanmaning zoals bedoeld in artikel 4:112 Awb Pro; dat wordt immers als volgende stap aangekondigd. Maar ook als het wel een aanmaning was, dan geldt daarvoor – conform de door Orionis genoemde uitspraak van de CRvB – dat het geen besluit is in de zin van artikel 1:3, lid 1, van de Awb.
6.1.
Dat in die brief is vermeld dat daartegen bezwaar kan worden gemaakt, doet aan het voorgaande niet af. [4]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Orionis terecht het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 28 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:331.
4.Zie eveneens CRvB 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:331.