Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak betreffende de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden van een betrokkene, geboren in 1995. De rechtbank had eerder, op 22 december 2023, de betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden en tbs met voorwaarden, welke dadelijk uitvoerbaar werd verklaard. Dit vonnis werd op 22 april 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch bevestigd en werd op 7 mei 2025 onherroepelijk. Op 3 december 2025 diende het Openbaar Ministerie een vordering in tot verlenging van de tbs met voorwaarden, welke op 13 januari 2026 werd behandeld. De officier van justitie, mr. M.A.M. Dekker, stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was in de vordering, omdat deze te vroeg was ingediend, conform de uitspraak van de Hoge Raad van 26 november 2024. De verdediging, vertegenwoordigd door raadsman mr. B.J.P. van Gils, steunde dit standpunt. De rechtbank oordeelde dat de vordering tot verlenging inderdaad te vroeg was ingediend, aangezien de tbs voor de duur van twee jaar geldt vanaf de datum waarop het arrest van het hof onherroepelijk werd. De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot verlenging van de tbs met voorwaarden.