Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 21 augustus 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin het openbaar ministerie beroep instelde tegen de niet-ontvankelijkheid van haar vordering tot verlenging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De terbeschikkinggestelde was in eerste aanleg veroordeeld tot deze maatregel, die dadelijk uitvoerbaar werd verklaard. In hoger beroep werd de maatregel bevestigd en onherroepelijk verklaard op 26 januari 2024.
Het openbaar ministerie diende op 19 januari 2025 een vordering tot verlenging van de maatregel in, maar het hof oordeelt dat deze vordering te vroeg is ingediend. Volgens artikel 6:6:11, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering mag een verlengingsvordering niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand vóór het einde van de maatregel worden ingediend. De maatregel loopt tot 11 januari 2026, twee jaar na het onherroepelijk geworden arrest.
Hoewel het openbaar ministerie zich beroept op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, stelt het hof dat die jurisprudentie niet van toepassing is omdat de situatie hier anders is: de maatregel is onherroepelijk geworden en de einddatum is duidelijk. Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank Amsterdam die het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaarde, maar verklaart het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk in de vordering tot verlenging. De vordering wordt daarom afgewezen.