ECLI:NL:RBZWB:2026:4281

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
11407360 \ CV EXPL 24-5767
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Tilman-Knoester
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 2:403 lid 1 aanhef en onder f. BWArt. 6:119 BWArt. 6:248 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens schending klachtplicht bij pensioenindexering tegen Ericsson Holding International B.V.

De zaak betreft de vraag of Ericsson Holding International B.V. (EHI) aansprakelijk is voor de indexering van de pensioenen van 54 eisers, die voor 1999 in dienst traden bij verschillende entiteiten binnen de Ericsson-groep. Eisers stellen dat EHI op grond van door haar afgegeven 403-verklaringen hoofdelijk aansprakelijk is voor het niet volledig indexeren van hun pensioenen vanaf 2020.

De kantonrechter stelt vast dat eisers de klachtplicht uit artikel 6:89 BW Pro hebben geschonden door pas in maart 2024 te klagen over het gebrek in de prestatie, terwijl zij al jaren eerder op de hoogte waren van het staken van de indexering en de financiële situatie van de betrokken entiteiten. Dit geldt zowel indien de indexatieverplichting bij Eurolab lag als bij EMN64/Ericsson Nederland.

Omdat eisers te laat hebben geklaagd, kunnen zij geen beroep meer doen op het vermeende gebrek in de prestatie. Hierdoor bestaat geen hoofdelijke aansprakelijkheid van EHI. Ook andere rechtsgronden voor toewijzing van de vorderingen zijn niet aannemelijk gemaakt. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente, en de vorderingen worden afgewezen.

Uitkomst: De vorderingen van eisers tegen Ericsson Holding International B.V. worden afgewezen wegens schending van de klachtplicht, waardoor geen hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11407360 \ CV EXPL 24-5767
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
54 EISERS, waarvan de namen en woonplaatsen zijn opgenomen in een lijst die is aangehecht aan dit vonnis,
eisende partij,
hierna te noemen: eisers,
gemachtigde: mr. T. Huijg,
tegen
ERICSSON HOLDING INTERNATIONAL B.V.,
te Rijen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: EHI,
gemachtigde: mr. M. Goorts en mr. P. Caris.
De zaak in het kort
De zaak gaat in de kern om de vraag of EHI aansprakelijk is voor de indexering van de pensioenen van eisers. De kantonrechter zal de vorderingen van eisers tegen EHI afwijzen, omdat eisers de klachtplicht (ten aanzien van de ‘primaire’ schuldenaar) hebben geschonden. Hierna legt de kantonrechter dit oordeel verder uit.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 februari 2025
- de aanvullende/gewijzigde producties van eisers ten behoeve van de mondelinge behandeling van 17 juni 2025
- de mondelinge behandeling van 17 juni 2025 (bij welke gelegenheid de gemachtigden van partijen hun spreekaantekeningen hebben overgelegd), waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de conclusie van repliek met producties
- de conclusie van dupliek met producties
- de akte van eisers.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Ericsson is een bedrijf op het gebied van communicatietechnologie. De Ericsson-groep bestaat uit vele vennootschappen en vestigingen over de hele wereld. Ook binnen Nederland bestaat Ericsson uit verschillende (wisselende) entiteiten met EHI als holdingmaatschappij.
2.2. (
Veel) eisers zijn voor 1 maart 1999 in dienst getreden bij Ericsson Business Mobile Networks B.V. met KvK-nummer (33)227564 (hierna te noemen: EMN64). De statutaire naam van EMN64 is met ingang van 1 augustus 1996 gewijzigd in Ericsson Beheer B.V. Daarnaast heeft EMN64 als (oude) handelsnaam gehad Ericsson Radio Systems B.V. Op 21 november 1996 is EMN64, als verdwijnende vennootschap, gefuseerd met Ericsson Holding Nederland met KvK-nummer 18031632. Ericsson Holding Nederland heeft op 5 augustus 1997 haar naam gewijzigd in Ericsson Nederland. De rechtspersoon met KvK-nummer 18031632 zal hierna worden genoemd Ericsson Nederland.
2.3.
Naast EMN64 heeft er nog een Ericsson-entiteit bestaan met de statutaire naam Ericsson Business Mobile Networks B.V. Dat betreft de rechtspersoon met KvK-nummer 33284198. Deze rechtspersoon heeft op 5 oktober 2000 haar statutaire naam en handelsnaam gewijzigd in Ericsson Eurolab Netherlands B.V en zal hierna Eurolab worden genoemd.
2.4.
EHI heeft in meerdere jaren in de periode 1993 tot en met 2002 verklaringen afgelegd als bedoeld in artikel 2:403 lid 1 aanhef Pro en onder f. (hierna te noemen: 403-verklaringen) voor wat betreft EMN64, Ericsson Nederland en/of Eurolab.
2.5. (
Veel) eisers zijn voor 31 december 2003 uit dienst getreden bij de Ericsson-groep. Tussen partijen is in geschil of zij tot die tijd in dienst zijn gebleven bij EMN64 (later: Ericsson Nederland) of dat zij door middel van overgang van onderneming in dienst zijn gekomen van Eurolab.
2.6.
Tussen eisers en hun Ericsson-werkgever(s) zijn pensioenovereenkomsten van kracht. De uitvoering van deze overeenkomsten is ondergebracht bij pensioenuitvoerder Nationale Nederlanden (hierna te noemen: NN).
2.7.
Op 22 november 2010 is Ericsson Nederland middels een ontbindingsbesluit opgehouden te bestaan.
2.8.
Eind 2003 zijn alle activiteiten in Eurolab gestaakt. Na staking van de activiteiten van Eurolab zijn de indexeringen van de pensioenen van eisers en hun Ericsson-werkgever(s) betaald uit liquide middelen van Eurolab. Daaruit werden de pensioenindexaties betaald. Per 1 januari 2020 is er voor het eerst minder dan de consumentenprijsindex geïndexeerd. Vanaf 1 januari 2021 heeft er in het geheel geen pensioenindexatie meer plaatsgevonden.
2.9.
In een brief van 26 januari 2007 van Interpolis aan de (voormalig) werknemers van Eurolab staat onder meer dat Eurolab het intentiebesluit heeft genomen om de pensioenverzekeringen over te dragen van Nationale Nederlanden (hierna te noemen: NN) aan Interpolis. Verder staat in de betreffende brief dat de indexatie uitsluitend wordt toegepast als en voor zover de beschikbare middelen dit toelaten.
2.10.
In een brief van augustus 2012 van NN aan (onder andere) [naam] (een van de eisers) staat onder meer het volgende: “
De werkgever verhoogt de ingegane pensioenen onder normale omstandigheden niet.(…)
Als de werkgever toch een verhoging geeft, hebt u door deze verhoging niet meteen ook recht op verhogingen in de toekomst.
2.11.
In een brief van 30 juli 2014 van NN (namens Eurolab) aan (veel) eisers staat onder meer het volgende: “
U bent gewend dat uw pensioenrechten, die zijn opgebouwd toen u bij Ericsson werkte, jaarlijks worden verhoogd door Nationale-Nederlanden. De kosten die daarmee gemoeid zijn, worden volledig betaald door Ericsson Eurolab Netherlands BV. Tot nu toe zijn de pensioenverhogingen betaald uit de reserves die nog aanwezig waren binnen Ericsson Eurolab Netherlands BV. Maar de financiele situatie wordt snel slechter omdat er geen inkomsten meer tegenover staan. Het bedrijf is immers al jaren geleden gesloten. Naar verwachting zal er dan ook een moment komen dat Ericsson Eurolab Netherlands BV geen geld meer heeft om de pensioenverhogingen te betalen. Op grond van het pensioenreglement bestaat dan ook geen recht meer op die verhogingen. Ericsson Eurolab Netherlands BV heeft dan aan alle verplichtingen voldaan en alle aanwezige reserves gebruikt voor pensioenverhogingen. Maar als het geld op is, dan houdt ook de verhoging op. Voor dit jaar zal de pensioenverhoging nog volledig worden toegekend maar voor de toekomst is dat dus onzeker. Uiteraard zullen wij u nader berichten zodra er meer duidelijkheid is.
2.12. (
Ook) in de jaren 2015 tot en met 2019 stuurde NN jaarlijks een brief naar de (voormalig) werknemers van Eurolab met de mededelingen dat:
  • de kosten van de verhoging van uw pensioenaanspraken worden door Eurolab betaald uit de nog aanwezige reserves;
  • de pensioenaanspraken worden verhoogd met de consumentenprijsindex voor zover de middelen toereikend;
  • een verhoging in de toekomst (dus) niet zeker is.
2.13.
In een brief van 17 november 2020 van NN aan (onder andere) [naam] staat onder meer het volgende: “
De (mogelijkheid op) verhoging uit hoofde van de voorwaardelijke toeslagverlening van uw opgebouwde pensioen verandert.(…)
Kijkend naar de beschikbare middelen die na de laatste verhoging per 1 januari 2019 nog aanwezig zijn, worden de aanspraken per 1 januari 2020 nog eenmalig verhoogd. Het verhogingspercentage is vastgesteld op 0,13%. Na het toekennen van deze verhoging zijn bij Ericsson Eurolab Netherlands B.V. geen middelen meer aanwezig en is er geen ruimte meer voor verhogingen van uw opgebouwde pensioen. Dit betekent dat uw pensioenaanspraak na de verhoging per 1 januari 2020 in de toekomst niet meer wordt aangepast.
2.14.
Bij brief van 4 maart 2024 van eisers aan EMN64, Ericsson Nederland, Eurolab en EHI hebben eisers erover geklaagd dat hun pensioenen vanaf 1 januari 2020 niet zijn verhoogd met de consumentenprijsindex. In deze brief staat verder dat EHI volgens eisers hoofdelijk aansprakelijk is voor het (doen) verhogen van de pensioenen op grond van de door haar afgegeven 403-verklaringen. Bij brief van 8 mei 2024 reageerde EHI afwijzend, waarna eisers deze procedure zijn gestart.

3.Het geschil

3.1.
Eisers vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:
EHI verplicht voor verhoging van de pensioenen van eisers en de financiering daarvan te zorgen;
voor recht verklaart dat EHI onrechtmatig handelt jegens eisers door sinds de ontbinding van Ericsson Nederland niet te zorgen voor verhoging van de pensioenen van eisers en de financiering daarvan;
voorwaardelijk voor recht verklaart dat EHI verplicht is een deel van het ontvangen batig liquidatiesaldo aan Ericsson Nederland terug te storten;
EHI verplicht te vergoeden de schade (in de vorm van wettelijke rente) die eisers hebben geleden door het niet verhogen van hun pensioenen;
EHI veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Eisers leggen primair aan de vorderingen ten grondslag – kort gezegd – dat er op EMN64 en later Ericsson Nederland een verplichting rust(te) om de pensioenen van eisers jaarlijks (in 100% dan wel 70% van de gevallen) te verhogen met de consumentenprijsindex en dat EHI op grond van door haar afgegeven 403-verklaringen hoofdelijk aansprakelijk is voor het alsnog (laten) doen van deze verhogingen met ingang van 1 januari 2020. Subsidiair leggen eisers aan hun vorderingen ten grondslag dat EHI in strijd handelt met onder meer het goed werkgeverschap, de eisen van redelijkheid en billijkheid en de maatschappelijke betamelijkheid door het niet (laten) doen van voormelde verhogingen.
3.3.
EHI voert verweer. EHI concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eisers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.
3.4.
EHI voert diverse – processuele en inhoudelijke – verweren, waaronder het verweer dat eisers niet hebben voldaan aan de klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro, waardoor zij geen beroep meer kunnen doen op een eventueel gebrek in de prestatie.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze zaak bestaan tussen partijen meerdere geschilpunten. Zo zijn partijen het niet eens over de homogeniteit van eisers, de onderbouwing van de vorderingen, de uitleg van onder andere het toepasselijke pensioenreglement c.q. de (on)voorwaardelijkheid van de pensioenindexering, de laatste werkgever van eisers en de werking van de 403-verklaringen en de intrekkingen daarvan. De kantonrechter zal echter niet al deze geschilpunten verder behandelen. De vorderingen van eisers zullen namelijk afgewezen worden, omdat eisers de op hen rustende klachtplicht niet zijn nagekomen. Deze beslissing zal de kantonrechter hierna motiveren.
4.2.
De klachtplicht is opgenomen in artikel 6:89 BW Pro, waarin het volgende is bepaald: “
De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd.”. Uit recente rechtspraak [1] volgt dat de klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro in beginsel van toepassing is op alle verbintenissen, maar dat dat onverlet laat dat de aard en inhoud van de rechtsverhouding en de aard en inhoud van de prestatie wel behoren tot de omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling of de schuldeiser aan zijn klachtplicht heeft voldaan. Verder heeft de Hoge Raad overwogen dat artikel 6:89 BW Pro slechts ziet op gevallen van ondeugdelijke nakoming en niet (mede) op gevallen waarin in het geheel geen prestatie is verricht.
4.3.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de klachtplicht ook in deze zaak van toepassing is. Eisers stellen namelijk dat EMN64 (en later Ericsson Nederland) en/of Eurolab gebrekkig hebben gepresteerd doordat de pensioenen van eisers wel zijn geïndexeerd, maar niet volledig. Meer concreet stellen eisers dat de pensioenindexatie met de stijging van de prijsindex tot en met 2019 correct heeft plaatsgevonden, dat de pensioenen in 2020 te weinig zijn verhoogd en dat de pensioenen vanaf 2021 in strijd met de gemaakte afspraken in het geheel niet meer zijn verhoogd en ook niet meer verhoogd zullen worden. Eisers stellen dus dat er sprake is van ondeugdelijke nakoming van de verbintenis om de pensioenen te indexeren aan de hand van de consumentenprijsindex. Daarop is de klachtplicht van toepassing. Vervolgens stellen eisers dat EHI hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige indexatie op grond van artikel 2:403 lid 1 aanhef Pro en onder f. BW.
4.4.
De vraag die nu beantwoord moet worden is of eisers de klachtplicht al dan niet zijn nagekomen. EHI voert aan dat het vermeende recht van eisers op (verdere) indexering van hun pensioenen is vervallen, doordat eisers niet hebben voldaan aan de klachtplicht jegens EMN64 (en later Ericsson Nederland) en/of Eurolab. De stelplicht en (eventueel) bewijslast van dit bevrijdende verweer rusten in beginsel op EHI [2] . Echter, voor de beantwoording van de vraag of het recht van eisers is vervallen, is noodzakelijk dat wordt vastgesteld of, en zo ja op welk moment, door hen over het gebrek in de prestatie is geklaagd. Ten aanzien van de voor de beoordeling van die vraag relevante feiten en omstandigheden is de bewijslast, en daarmee het bewijsrisico, omgekeerd [3] . Tussen partijen is niet in geschil dat eisers voor het eerst geklaagd hebben over het gebrek in de prestatie (het niet meer – volledig – indexeren van hun pensioenen vanaf 1 januari 2020) bij brief van 4 maart 2024.
4.5.
De hierna te beantwoorden vraag is of eisers met hun brief van 4 maart 2024 tijdig hebben geklaagd. EHI stelt dat eisers hiermee niet tijdig hebben geklaagd. Ter onderbouwing van deze stelling wijst EHI erop dat deze brief dateert van:
  • bijna tien jaar na het bericht van 30 juli 2014, waarin onder meer de volgende mededeling staat: “
  • minimaal vijf jaar na de jaarlijkse brieven in de periode 2015 tot en met 2019, waarin de mededeling uit de brief van 30 juli 2014 werd bevestigd;
  • ruim vier jaar na de laatste en onvolledige indexatie per 1 januari 2020;
  • ruim drie jaar na het bericht van 17 november 2020, waarin onder meer de volgende mededeling staat, welke mededeling ook is uitgevoerd: “
4.6.
Eisers betwisten dat zij de klachtplicht hebben geschonden. In dat kader voeren zij aan dat zij voormelde berichten hebben gelezen in de wetenschap dat er weliswaar een indexatieverplichting gold, maar dat van een kale kip – eisers gingen er op dat moment van uit dat de indexatieverplichting op Eurolab rustte – niet valt te plukken. Daarom waren eisers naar eigen zeggen in de terechte veronderstelling dat van een gebrek in de prestatie nog geen sprake was, ook niet nadat per 1 januari 2021 niet meer werd geïndexeerd.
4.7.
De kantonrechter volgt eisers hierin niet. Volgens de kantonrechter hebben eisers zowel als wordt aangenomen dat EMN64 (en later Ericsson Nederland) hun werkgever was als in het geval dat wordt aangenomen dat Eurolab hun werkgever was de klachtplicht geschonden. Hierna wordt uitgelegd waarom.
4.8.
Ervan uitgaande dat eisers destijds in de terechte veronderstelling waren dat de indexatieverplichting op Eurolab rustte en dat Eurolab een kale kip was, dan laat dat naar het oordeel van de kantonrechter onverlet dat het niet (volledig) indexeren vanaf 1 januari 2020 uitgaande van de overige stellingen van eisers een gebrek in de prestatie is. Immers, niet alleen betalingsonwil, maar ook betalingsonmacht levert in beginsel een gebrek in de prestatie op. Bovendien stellen juist eisers zich op het standpunt dat er een plicht tot indexeren was bij een positieve consumentenprijsindex, onafhankelijk van de beschikbare middelen. Daarvan uitgaande lag het des te meer op de weg van eisers om te klagen zodra (volledige) indexatie achterwege bleef, ondanks een positieve prijsindex. Dat Eurolab volgens eisers een kale kip was doet daarbij niet ter zake. Immers, zoals de kantonrechter hiervoor heeft overwogen, leidt ook gebrekkig presteren wegens onvoldoende financiële middelen in beginsel tot een gebrek in de prestatie waartegen geklaagd dient te worden. Bovendien hadden eisers kunnen en moeten weten dat klagen niet zonder meer zinloos was, omdat zij ook wisten, althans konden weten, dat Eurolab onderdeel uitmaakte van de grote Ericsson-groep met veel verschillende vennootschapen en een holdingmaatschappij (EHI) daarboven. Eisers hadden dan zelfs te weten kunnen komen dat EHI hoofdelijke aansprakelijkheid was, omdat de 403-verklaringen zijn opgenomen in de openbare registers. Kortom, als zou komen vast te staan dat de indexatieverplichting op Eurolab rust(te), dan is het oordeel van de kantonrechter dat eisers ten aanzien van Eurolab te laat hebben geklaagd. Immers, de klachtbrief van 4 maart 2024 dateert van ruim 4 jaar na het moment dat het eerste (deel van het) gebrek – de onvolledige indexatie per 1 januari 2020 – kenbaar was voor eisers en ruim 3 jaar na het moment dat voor eisers kenbaar was dat er helemaal niet meer werd geïndexeerd. Door het tijdsverloop kwalificeert dat niet als klagen binnen bekwame tijd. Dat geldt temeer nu er al ruim daarvoor aankondigingen van c.q. aanwijzingen voor het betreffende gebrek waren. Eisers kregen vanaf 2014 immers al jaarlijks brieven dat de indexatie zou stoppen als, kort gezegd, het geld van Eurolab op was. Bovendien is door het lange tijdsverloop tussen het (kunnen ontdekken van het) gebrek en de eerste klacht veel bewijsmateriaal niet meer of minder goed beschikbaar, zodat het belang van EHI daadwerkelijk is geschaad door het late klagen.
4.9.
Eisers stellen zich in deze procedure echter op het standpunt dat de indexatieverplichting niet op Eurolab rust(te), maar op EMN64 en later Ericsson Nederland. Daarbij stellen eisers dat Ericsson Nederland geen kale kip was/is, omdat die volgens eisers bij haar ontbinding een batig liquidatiesaldo van ruim 111 miljoen aan EHI heeft uitbetaald. Volgens eisers hebben zij ten aanzien van EMN64 en later Ericsson Nederland niet te laat geklaagd. In dat kader stellen eisers dat zij pas begin 2024 ontdekten dat de indexatieverplichting op EMN64 en later Ericsson Nederland rust(te) en dat de klachttermijn pas op dat moment is gaan lopen.
4.10.
De kantonrechter volgt eisers daarin niet. Immers, ervan uitgaande dat de indexatieverplichting inderdaad op EMN64 en later Ericsson Nederland rust(te), dan gaat de klachttermijn niet pas lopen op het moment dat eisers dat naar eigen zeggen ontdekten, maar op het moment dat eisers dat redelijkerwijs hadden kunnen ontdekken. Aangezien eisers zelf stellen dat EMN64 en later Ericsson Nederland altijd hun werkgever zijn gebleven en dat er nooit een overgang van onderneming naar Eurolab heeft plaatsgevonden (volgens eisers slechts een handelsnaamwijziging), hadden zij ruim voor begin 2024 kunnen en moeten ontdekken dat de indexatieverplichting op EMN64 en later Ericsson Nederland rust(te). Weliswaar staat in de onder 4.5. weergegeven correspondentie Eurolab, maar eisers stellen zelf dat zij ervan uitgingen dat (alleen) de handelsnaam van EMN64 c.q. Ericsson Nederland was gewijzigd in Eurolab, zodat het gebruik van die naam in de betreffende correspondentie eisers volgens hun eigen stellingen niet op het verkeerde been kan hebben gezet. Kortom, als zou komen vast te staan dat de indexatieverplichting op EMN64/Ericsson Nederland rust(te), dan is het oordeel van de kantonrechter – met verwijzing naar de eerdere overwegingen hierover – dat eisers ten aanzien van EMN64/Ericsson Nederland te laat hebben geklaagd.
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat eisers naar het oordeel van de kantonrechter de klachtplicht hebben geschonden in zowel het geval dat de indexatieverplichting op Eurolab zou rusten of zou hebben gerust als in het geval dat de indexatieverplichting op EMN64/Ericsson Nederland zou rusten of zou hebben gerust. Dat betekent dat eisers geen beroep meer kunnen doen op het door hen gestelde gebrek in de prestatie (het niet volledig indexeren van hun pensioenen). In artikel 2:403 lid 1 aanhef Pro en onder f. BW is bepaald dat de ‘moedermaatschappij’ (in dit geval EHI) zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de uit rechtshandelingen van de ‘403-rechtspersoon’ (in dit geval Eurolab dan wel EMN64 en Ericsson Nederland) voortvloeiende schulden. Nu uit het voorgaande volgt dat noch Eurolab noch EMN64/Ericsson Nederland nog een schuld heeft aan eisers is er van hoofdelijke aansprakelijkheid van EHI jegens eisers ook geen sprake (meer).
4.12.
Gelet op al het voorgaande zullen de vorderingen van eisers tegen EHI afgewezen worden. Immers, van hoofdelijke aansprakelijkheid van EHI op grond van artikel 2:403 lid 1 aanhef Pro en onder f. BW is geen sprake meer. Er is ook geen andere rechtsgrond voor toewijzing van de vorderingen van eisers tegen EHI. Weliswaar stellen eisers nog dat EHI door aansprakelijkheid af te wijzen (ook) in strijd handelt met het goed werkgeverschap, het goed schuldenaarschap, de eisen van redelijkheid en billijkheid en met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, maar EHI betwist die stellingen gemotiveerd. De kantonrechter overweegt in dit kader dat EHI nooit werkgever van eisers is geweest. Verder hebben eisers onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de kantonrechter tot het oordeel kan komen dat aan de hoge drempel van vereenzelviging is voldaan. Zo is niet (voldoende) gesteld dat de identiteit van een van de rechtspersonen werd misbruikt om derden te benadelen. Wat betreft het beroep op artikel 6:248 lid 1 BW Pro overweegt de kantonrechter dat tussen EHI en eisers geen overeenkomst bestaat. Tot slot hebben eisers naar het oordeel van de kantonrechter in het licht van het gemotiveerde verweer van EHI onvoldoende gesteld dat en op welke wijze EHI onrechtmatig tegenover eisers zou hebben gehandeld.
4.13.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van EHI worden begroot op:
- salaris gemachtigde
3465,00
(3 punten × € 1.155,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.609,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.15.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van eisers af,
5.2.
veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van € 3.609,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt eisers hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.