Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4267

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/11128
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Uitvoeringsregeling BPMArt. 10 Wet BPMArt. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens onjuiste taxatiemethode en toekenning kostenvergoeding

Belanghebbende deed aangifte BPM voor een Audi Q3 en gebruikte daarbij de taxatiemethode met een taxatierapport dat een dag na de RDW-keuring was opgesteld. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat de fysieke opname niet binnen een maand vóór het afschrijvingsmoment had plaatsgevonden en hanteerde de forfaitaire afschrijvingstabel.

Belanghebbende stelde dat het taxatierapport toch mocht worden gebruikt en voerde een mandaatverbod aan tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank verwierp het mandaatverweer en oordeelde dat het taxatierapport niet gebruikt kon worden omdat het na het afschrijvingsmoment was opgesteld, conform artikel 8, vierde lid, Uitvoeringsregeling BPM.

De rechtbank stelde vast dat de koerslijstmethode van toepassing was en verminderde de naheffingsaanslag tot € 10.646. Tevens werd een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend en een immateriële schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat kwam. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 3.200 en het griffierecht van € 184 werd vergoed.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 10.646 en belanghebbende krijgt een hogere kostenvergoeding en immateriële schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11128

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 19 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 14.261 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verlaagd tot € 12.128 en een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank ook de aan belanghebbende voor de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is tot een te hoog bedrag opgelegd. Verder is de rechtbank van oordeel dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase op een hoger bedrag moet worden vastgesteld.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 6 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Audi Q3 met VIN-nummer [nummer 1] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 12.706.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De taxateur van belanghebbende heeft de auto op 4 mei 2022 fysiek opgenomen.
4.3.
De auto is door de RDW gekeurd op 3 mei 2022.
4.4.
De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de afschrijving van de auto niet op basis van het taxatierapport kan worden bepaald, omdat de fysieke opname niet binnen een maand voor het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend, aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, op € 26.967 en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen.
Mandaatverbod
5.1.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.
5.2.
De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 3] . De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat een medewerker met ‘User id’ “ [nummer 2] ” de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 2] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar.
5.3.
Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af.
Taxatiemethode?
5.4.
Tussen partijen staat vast dat het moment waarop de auto door de RDW is gekeurd, het afschrijvingsmoment, 3 mei 2022 is, en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport in opdracht van belanghebbende op 4 mei 2022 heeft plaatsgevonden. Hiermee staat vast dat de fysieke schouw van de auto heeft plaatsgevonden een dag ná de keuring bij de RDW en dat het taxatierapport ook is opgemaakt ná de keuring bij de RDW.
5.5.
Belanghebbende stelt dat hij, hoewel de fysieke opname heeft plaatsgevonden ná de keuring bij de RDW, toch aangifte mocht doen met gebruikmaking van de taxatiemethode. Volgens hem kan artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM niet zo worden gelezen dat het niet is toegestaan om een taxatierapport te gebruiken waarin de auto is geschouwd één dag na de keuring bij de RDW. Steun voor die opvatting vindt belanghebbende in overweging 4.6.5 van het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025. [1] Volgens hem komt de andersluidende opvatting van de inspecteur in strijd met de doelstelling van de wetgever, en daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
5.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op de regeling is hierover verder het volgende vermeld:
“Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.” [2]
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van Pro de Wet BPM. Artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM kan redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld ná het afschrijvingsmoment. Die lezing druist naar het oordeel van de rechtbank ook niet in tegen enig rechtsbeginsel, voor zover dat getoetst kan worden door de rechter gelet op het grondwettelijk toetsingsverbod. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat belanghebbende niet heeft aangegeven waarom de auto door de taxateur pas ná de RDW goedkeuring is geschouwd. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet.
Koerslijstmethode
5.8.
Voor dat geval, namelijk dat de taxatiemethode niet van toepassing is, is tussen partijen niet in geschil dat de verschuldigde Bpm moet worden berekend aan de hand van de koerslijsmethode en op grond van die methode de verschuldigde Bpm € 23.352 bedraagt. Het beroep op de koerslijstmethode leidt tot een gegrond beroep. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag tot € 10.646 [3] .
Kostenvergoeding voor de bezwaarfase
5.9.
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte heeft vastgesteld op € 592 omdat de inspecteur het lagere tarief van € 296 per punt heeft toegepast.
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 [4] heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing blijven. De rechtbank zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief van € 666 per punt.
Immateriële schadevergoeding
5.11.
Belanghebbende heeft op 23 november 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 22 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 18 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 20 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.
5.13.
Omdat de bezwaarfase afgerond 13 maanden heeft geduurd en daarmee 7 maanden te lang, komt 7/20e deel, derhalve € 700 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.300 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot € 10.646. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden, en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
6.2.
De inspecteur is van mening dat belanghebbende voor het feit dat het beroep gegrond is vanwege de wisseling naar de koerslijsmethode, niet tot een proceskostenvergoeding dient te leiden. Belanghebbende bestrijdt dat. Volgens belanghebbende is de noodzaak van het instellen van beroep niet uitsluitend aan haar handelwijze te wijten.
6.3.
De rechtbank overweegt dat het beroep gegrond wordt verklaard omdat enerzijds de naheffingsaanslag wordt verminderd wegens het beroep op de koerslijstmethode, maar anderzijds ook in de bezwaarfase een te laag bedrag aan kostenvergoeding is gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is reeds daarom de noodzaak tot het instellen van het beroep niet uitsluitend aan de handelwijze van belanghebbende te wijten en heeft belanghebbende daarom recht op een proceskostenvergoeding, met een wegingsfactor 1.
6.4.
De vergoeding voor de proceskosten heeft de rechtbank daarom met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666, met een wegingsfactor 1, in totaal derhalve € 1.332, die verrekend mag worden met hetgeen in de bezwaarfase reeds is vergoed. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934, met eveneens een wegingsfactor 1. De gemachtigde heeft in beroep een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen, zodat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 1.868 bedraagt. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot een bedrag van € 10.646;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 700;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.300;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

2.Besluit van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen, nr. 2021-0000025821 (Stcrt. 2021, 48636, p. 36).
3.€ 23.352 minus € 12.706
4.Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
5.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.