Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €7.944 opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betreft de uitvoering van de auto en de waardevermindering door schade. Belanghebbende stelde dat de auto een Sports Tourer uitvoering betrof en dat de handelswaarde verminderd moest worden wegens schade.
De inspecteur betwistte de uitvoering en stelde dat het een Country Tourer uitvoering met sportpakket betreft, gebaseerd op uiterlijke kenmerken en het VIN-nummer. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij belanghebbende ligt en dat de enkele verwijzing naar de RDW-registratie onvoldoende is. Belanghebbende heeft geen aanvullende bewijsstukken zoals de inkoopfactuur overgelegd, waardoor de rechtbank de inspecteur volgt.
Ook de door belanghebbende gestelde waardevermindering wegens schade werd niet aannemelijk geacht. De inspecteur en DRZ constateerden geen schade die een waardevermindering rechtvaardigt. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is opgelegd.
Daarnaast is een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met 20 maanden is overschreden en kent een vergoeding van €2.000 toe, waarvan €400 voor rekening van de inspecteur en €1.600 voor rekening van de Staat. Tevens worden proceskosten voor het indienen van dit verzoek deels vergoed.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding en een deel van de proceskosten.