Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4263

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/9488
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens uitvoering en schade auto afgewezen

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €7.944 opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betreft de uitvoering van de auto en de waardevermindering door schade. Belanghebbende stelde dat de auto een Sports Tourer uitvoering betrof en dat de handelswaarde verminderd moest worden wegens schade.

De inspecteur betwistte de uitvoering en stelde dat het een Country Tourer uitvoering met sportpakket betreft, gebaseerd op uiterlijke kenmerken en het VIN-nummer. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij belanghebbende ligt en dat de enkele verwijzing naar de RDW-registratie onvoldoende is. Belanghebbende heeft geen aanvullende bewijsstukken zoals de inkoopfactuur overgelegd, waardoor de rechtbank de inspecteur volgt.

Ook de door belanghebbende gestelde waardevermindering wegens schade werd niet aannemelijk geacht. De inspecteur en DRZ constateerden geen schade die een waardevermindering rechtvaardigt. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is opgelegd.

Daarnaast is een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met 20 maanden is overschreden en kent een vergoeding van €2.000 toe, waarvan €400 voor rekening van de inspecteur en €1.600 voor rekening van de Staat. Tevens worden proceskosten voor het indienen van dit verzoek deels vergoed.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding en een deel van de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9488

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] V.O.F., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 juli 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 7.944 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 16 juli 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Opel insignia Sports Tourer met VIN-nummer [nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.233.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de ingediende aangifte kennelijk onjuist is, mede omdat de schadecalculatie van de taxateur van belanghebbende substantieel afwijkt van de schadecalculatie van DRZ. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend op € 9.177 en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

Uitvoering van de auto
5. Tussen partijen is allereerst de uitvoering van de auto in geschil. Belanghebbende stelt onder verwijzing naar de door haar gedane aangifte Bpm en vaststelling in het kentekenregister van de RDW, dat de uitvoering van de auto een ‘Sports Tourer’ betreft en hanteert de koerslijst van die uitvoering als uitgangspunt. De inspecteur betwist dat. Volgens haar is de uitvoering van de auto een ‘Country Tourer’ met sport pakket. De inspecteur wijst daartoe op specifieke uiterlijke kenmerken van de auto, die niet bij de Sports Tourer maar bij de Country Tourer uitvoering passen, en verder op het VIN-nummer dat ook op een Country Tourer zou wijzen. De inspecteur hanteert de koerslijst van de Country Tourer uitvoering zodoende als uitgangspunt.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de bewijslast dat sprake is van een ‘sports tourer’, op belanghebbende rust. Omdat de inspecteur die stelling van belanghebbende gemotiveerd heeft betwist, is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in dit geval de auto de door haar voorgestane uitvoering heeft.
5.2.
De rechtbank oordeelt dat de enkele verwijzing naar de registratie bij de RDW in dit geval onvoldoende is voor het oordeel dat belanghebbende de door haar voorgestane uitvoering van de auto aannemelijk heeft gemaakt. Ook de RDW kan de auto met een onjuiste uitvoering registreren, en de inspecteur is niet aan die onjuiste registratie gebonden. Het had in dat kader op de weg van belanghebbende gelegen om bijvoorbeeld de inkoopfactuur, waar de inspecteur reeds om had verzocht, van de auto te verstrekken om zo meer helderheid te bieden. Dat belanghebbende die factuur niet wenst in te sturen, komt voor haar risico. De rechtbank volgt de inspecteur dat het aannemelijk is dat de auto een country tourer uitvoering betreft.
5.3.
De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat moet worden vastgesteld op € 21.993. De rechtbank volgt de handelsinkoopwaarde zoals die uit de koerslijst van Xray volgt voor de Country Tourer editie.
Schade
5.4.
Vervolgens is tussen partijen in geschil of de handelsinkoopwaarde voldoende is verminderd wegens schade aan de auto. DRZ heeft geen aan schade vastgesteld, en zodoende geen vermindering van de handelsinkoopwaarde toegelaten. De inspecteur sluit daarbij aan.
5.5.
Belanghebbende voert aan dat de auto wel schade heeft waarmee in de hoogte van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden. De taxateur heeft die schade in totaal becijferd op € 13.447, hetgeen tot een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van € 9.682 leidt (90 procent). Verder heeft de taxateur van belanghebbende ook een waardevermindering van € 3.732 toegepast wegens het schadeverleden en de onderhoudshistorie van de auto. Primair voert belanghebbende aan dat met deze waardeverminderingen rekening moet worden gehouden. Subsidiair betoogt belanghebbende dat de waardevermindering wegens schade op € 4.773 moet worden gesteld.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur en het door belanghebbende overgelegde fotomateriaal, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de handelsinkoopwaarde moet worden verminderd wegens schade, een schadeverleden of de onderhoudshistorie van de auto. De door belanghebbende gestelde schade is onvoldoende inzichtelijk gemaakt dan wel behelst niet meer dan normale gebruiksschade. Verder heeft belanghebbende haar stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, gebaseerd op het innameprotocol van Connect Autolease, in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt.
Hoogte naheffingsaanslag
5.7.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
5.8.
Belanghebbende heeft op 6 september 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.9.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 18 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 20 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.
5.10.
Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt 4/20e deel, derhalve € 400 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.600 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.
6.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [1] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
6.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [2] maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 400;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.600;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
2.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.