Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4261

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/9486
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding na overschrijding redelijke termijn

Belanghebbende V.O.F. heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €7.295 opgelegd door de inspecteur. De inspecteur stelde dat de handelsinkoopwaarde van de Chevrolet Camaro te laag was aangegeven en baseerde zich op een hertaxatie door DRZ. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de waarde heeft vastgesteld op €23.975 en dat de schadecorrecties van belanghebbende onvoldoende zijn onderbouwd.

Belanghebbende stelde dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd was genomen vanwege een mandaatverbod, maar de rechtbank vond dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat het mandaatverbod niet was geschonden. De rechtbank verwierp ook de stellingen over de ongeschiktheid van het marktonderzoek en de schadecorrecties.

Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van het bezwaar. De vergoeding wordt verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Ook werden proceskosten toegekend voor het indienen van het verzoek om immateriële schadevergoeding.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een schadevergoeding en proceskostenvergoeding. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de redelijke termijn op het moment van het verzoek nog niet was overschreden.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9486

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] V.O.F., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 juli 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 7.295 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
3.1.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 28 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Chevrolet Camaro 3.6 Coupé met VIN-nummer [nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.509.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De taxateur van DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald aan de hand van een marktonderzoek. Naar aanleiding van het rapport van DRZ heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende de handelsinkoopwaarde van de auto voor een te laag bedrag heeft aangegeven. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend op € 8.804 en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen.
Mandaatverbod
5.1.
Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.
5.2.
De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] . De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat [persoon 3] de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 4] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar.
5.3.
Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af.
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
5.4.
Belanghebbende stelt dat voor de handelsinkoopwaarde de door haar taxateur geselecteerde infiniti Q60 Coupé vergelijkbaar is met haar auto, zodat van de koerslijst van Xray van die auto moet worden uitgegaan ter bepaling van de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat. Het markonderzoek van DRZ is ondeugdelijk en ook daarom moet worden uitgegaan van de koerslijst. De koerslijst van X-Ray maakt een betere berekening van de afschrijving mogelijk, nu deze koerslijst in statistisch opzicht een meer representatieve waardebepaling geeft dan het marktonderzoek, aldus belanghebbende.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat de door belanghebbende geselecteerde koerslijst van koerslijstprovider X-Ray in dit geval niet kan worden toegepast om de handelsinkoopwaarde van de auto (in onbeschadigde staat) vast te stellen. De auto van belanghebbende betreft immers een auto van een ander merk, met andere eigenschappen, die naar het oordeel van de rechtbank teveel afwijkt van de auto uit de koerslijst.
5.6.
DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald aan de hand van referentievoertuigen. De rechtbank vindt geen reden te twijfelen aan de uitlatingen van DRZ en de inspecteur dienaangaande en evenmin aan de bevindingen en uitkomsten van het marktonderzoek van DRZ. De in het marktonderzoek gebruikte auto’s acht de rechtbank voldoende vergelijkbaar en bruikbaar voor het marktonderzoek. Er is weliswaar een correctie wegens leeftijd van de referentieauto’s toegepast die de inspecteur niet kan verklaren, maar die correctie leidt tot een lagere handelsinkoopwaarde van de auto, en is zodoende niet in belanghebbendes nadeel. De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat het onderzoek van DRZ voldoende is gemotiveerd en beter de reële waarde van de auto weergeeft dan de uitkomst van de koerslijst van belanghebbende, en dat dus van het marktonderzoek moet worden uitgegaan.
5.7.
In het betoog van belanghebbende dat bij het marktonderzoek te weinig referentievoertuigen zijn gebruikt dan wel dat de referentievoertuigen niet voldoende vergelijkbaar zijn met de auto, dan wel dat slechts van het referentievoertuig met de laagste waarde moet worden uitgegaan, gaat de rechtbank niet mee. Verder vindt de rechtbank ook in de eigen aankoopprijs geen reden om te twijfelen aan de uitkomsten van het marktonderzoek van DRZ.
5.8.
Conform het standpunt van de inspecteur, stelt de rechtbank de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto vast op € 23.975.
Schade en schadeverleden
5.9.
Belanghebbende voert aan dat de inspecteur in de handelsinkoopwaarde onvoldoende rekening heeft gehouden met de door haar gestelde schade en het schadeverleden van de auto. De taxateur heeft die schade in totaal becijferd op € 10.581, hetgeen tot een waardevermindering van de handelsinkoopwaarde van € 7.618 leidt (70 procent). Verder stelt belanghebbende dat een waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto van € 1.193 in aanmerking moet worden genomen.
5.10.
Ter onderbouwing van de schade heeft belanghebbende een taxatierapport overgelegd waarin een omschrijving van de schade is opgenomen, en verder heeft hij foto’s overgelegd van de auto. De inspecteur wijst op het rapport van DRZ, waarin de taxateur van DRZ zijn bevindingen en opmerkingen over de auto heeft opgenomen. De taxateur van DRZ geeft in dat rapport commentaar op de door belanghebbende opgevoerde schade. De taxateur van DRZ heeft € 6.639 aan schade geconstateerd. 72 procent van die schade (€ 4.780) heeft de inspecteur als waardevermindering van de handelsinkoopwaarde in aanmerking genomen.
5.11.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur en het door belanghebbende overgelegde fotomateriaal, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat met een hoger bedrag aan schade rekening moet worden gehouden dan de inspecteur reeds heeft gedaan. De door belanghebbende (meer) gestelde schade is onvoldoende inzichtelijk gemaakt dan wel behelst niet meer dan normale gebruiksschade. Verder heeft belanghebbende haar stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, gebaseerd op het innameprotocol van Connect Autolease, in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt.
5.12.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur verder terecht geen waardevermindering wegens het schadeverleden in aanmerking genomen. De enkele stelling van belanghebbende dat sprake zou zijn van een schadeverleden wat een waardevermindering van € 1.193 rechtvaardigt, is daarvoor onvoldoende.
Hoogte naheffingsaanslag
5.13.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
5.14.
Belanghebbende heeft op 4 september 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
5.15.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 5 oktober 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 18 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 20 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.
5.16.
Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt 4/20e deel, derhalve € 400 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.600 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.
6.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [1] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
6.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [2] maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 400;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.600;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
2.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.