Belanghebbende V.O.F. heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €7.295 opgelegd door de inspecteur. De inspecteur stelde dat de handelsinkoopwaarde van de Chevrolet Camaro te laag was aangegeven en baseerde zich op een hertaxatie door DRZ. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de waarde heeft vastgesteld op €23.975 en dat de schadecorrecties van belanghebbende onvoldoende zijn onderbouwd.
Belanghebbende stelde dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd was genomen vanwege een mandaatverbod, maar de rechtbank vond dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat het mandaatverbod niet was geschonden. De rechtbank verwierp ook de stellingen over de ongeschiktheid van het marktonderzoek en de schadecorrecties.
Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van het bezwaar. De vergoeding wordt verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Ook werden proceskosten toegekend voor het indienen van het verzoek om immateriële schadevergoeding.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een schadevergoeding en proceskostenvergoeding. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de redelijke termijn op het moment van het verzoek nog niet was overschreden.