ECLI:NL:RBZWB:2026:4040

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
24/5931
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 8 Wet BPMArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM na taxatiemethode en hertaxatie

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €17.725 en belastingrente van €51, opgelegd door de inspecteur na een hertaxatie door DRZ. De rechtbank heeft beoordeeld of de aanslag terecht en correct is vastgesteld.

Belanghebbende had een taxatierapport overgelegd met een handelsinkoopwaarde van €20.500 en een schadeaftrek van €16.000, resulterend in een waarde na schade van €4.500. De inspecteur stelde op basis van DRZ-rapport een hogere handelsinkoopwaarde van €41.051 vast en een schadeaftrek van slechts €388. De rechtbank oordeelde dat de taxatierapportage van belanghebbende formele en materiële gebreken vertoonde, waardoor de bewijskracht beperkt is.

De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende op discriminatie op grond van artikel 110 VWEU Pro wegens onvoldoende onderbouwing. Ook achtte de rechtbank de gehanteerde referentievoertuigen in het taxatierapport niet vergelijkbaar vanwege hogere kilometerstanden en onvoldoende specificatie. De waardevermindering wegens schade en CO2-uitstoot werd niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is opgelegd en dat de belastingrente terecht is berekend. Het beroep werd ongegrond verklaard, met afwijzing van teruggaaf griffierecht en proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag BPM terecht en niet te hoog is opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5931

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen

V.O.F. [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 26 juni 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 17.725. Tevens heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht van € 51 (de belastingrente).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [vennoot] (vennoot) en de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 25 april 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW X3 XDrive 30i High Executive met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 3.368.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 20.500. Hierop is een bedrag van € 16.000 aan schade (van in totaal € 17.286,69) in mindering gebracht zodat de handelsinkoopwaarde na schade is berekend op € 4.500.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft de schade vastgesteld op € 539. Hiervan is 72%, te weten € 388 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde van € 41.051, gebaseerd op de koerslijst AutotelexPro.
4.3.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 21.093 – gebaseerd op de forfaitaire tabel – bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

Afschrijvingsmethode
4.4.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [1]
4.5.
De wijze van vaststellen van het afschrijvingspercentage wordt voor wat betreft de taxatiemethode geregeld in artikel 10, lid 8, Wet BPM. Deze methode beoogt te komen tot een waarde die de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig zo goed mogelijk benadert en aldus een reële waardedaling van het desbetreffende motorrijtuig vast te stellen. Bij toepassing van de taxatiemethode geldt dat de taxateur als referentie voor het bepalen van een (bij benadering) reële waardedaling van het te registreren motorrijtuig ook gebruik kan maken van de handelsinkoopwaarde die is opgenomen in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor een referentievoertuig, dat wil zeggen een in zo’n koerslijst voorkomend gelijksoortig, in Nederland geregistreerd motorrijtuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het te registreren motorrijtuig. [2]
Toepassing taxatiemethode
4.6.
De inspecteur heeft gesteld dat het door belanghebbende bij het doen van de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen omdat er diverse formele en materiële gebreken daaraan kleven.
4.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat zowel door de taxateur van belanghebbende als door DRZ schade is geconstateerd (zie 4.1 en 4.2). Gelet hierop kan belanghebbende de taxatiemethode toepassen. Hetgeen de inspecteur verder heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel. Wel kunnen gebreken in het taxatierapport gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt. Dit brengt mee dat de taxatiemethode kan worden toegepast. Voor dat geval zijn de bruto historische bpm en de historische nieuwprijs niet in geschil.
Artikel 110 VWEU Pro
4.8.
Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de auto in Europa niet verkrijgbaar is zodat voor de vraag of sprake is van soortgelijkheid ten aanzien de referentievoertuigen sprake is van discriminatie en daarmee schending van artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank verwerpt deze stelling nu belanghebbende, op wie de bewijslast rust, haar standpunt niet nader heeft onderbouwd.
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
4.9.
In het taxatierapport is de handelsinkoopwaarde vastgesteld aan de hand van een marktonderzoek. De taxateur heeft daarbij vier referentievoertuigen van hetzelfde merk in aanmerking genomen uit 2018 en 2019 met een km-stand variërend tussen 52.524 km en 132.599 km en een gemiddelde verkoopprijs van € 41.000. Verder heeft de taxateur rekening gehouden met een waardevermindering van 50% zodat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vast is gesteld op € 20.500.
4.10.
De rechtbank overweegt als volgt. De referentieauto’s hebben een veel hogere kilometerstand dan de auto van belanghebbende, te weten 12.530 km. Bovendien is geen specificatie van de referentievoertuigen weergeven. Gelet hierop is niet inzichtelijk gemaakt dat de referentievoertuigen werkelijk soortgelijk zijn. De rechtbank acht het aannemelijk dat een hogere kilometerstand leidt tot een lagere waarde. Daarnaast is de waardevermindering van 50% niet onderbouwd. Gelet hierop is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht het aannemelijk dat deze waarde hoger is dan € 20.500. De rechtbank zal daarom uitgaan van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat zoals vastgesteld door DRZ (zie 4.2).
Waardevermindering wegens schade
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
Waardevermindering in verband met schadeverleden
4.11.
Belanghebbende heeft gesteld dat de auto in het verleden een schade heeft gehad en hierdoor moeilijk verkoopbaar is. Hierdoor dient rekening te worden gehouden met een waardevermindering als gevolg van een schadeverleden van € 3.500, aldus belanghebbende.
4.12.
De inspecteur heeft betwist dat sprake is van een waardevermindering als gevolg van een schadeverleden.
4.13.
De rechtbank stelt voorop dat voor het in aanmerking nemen van een waardevermindering in verband met schadeverleden de belastingplichtige de werkelijke handelswaarde van de te registeren personenauto moet aantonen. Dit dient gestaafd te worden aan de hand van een deskundigenonderzoek waarmee aangetoond wordt dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. [3] Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, met hetgeen is aangevoerd, niet aangetoond dat sprake is van een waardevermindering in verband met schadeverleden.
Overige waardevermindering
4.14.
Ten slotte heeft belanghebbende gesteld dat het feit dat de auto een hogere CO2-uitstoot heeft, leidt tot een lagere waarde. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de inkoop- en de verkoopfactuur niet af te leiden dat en in hoeverre sprake is van waardevermindering als gevolg van een hogere CO2-uitstoot. De rechtbank verwerpt daarom dit standpunt van belanghebbende. Hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd ten aanzien van de inkoop- en verkoopfactuur behoeft daarom geen verdere behandeling.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
4.15.
Belanghebbende heeft gesteld dat in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel is gehandeld omdat DRZ een ster op de voorruit en de reparatie van twee scharnieren alsmede andere gefotografeerde schade terzijde heeft geschoven door slechts op te merken dat de schade niet aangetroffen is.
4.16.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. DRZ heeft als hertaxateur de schade vastgesteld. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende bepleit, behoeft de hertaxateur niet te motiveren welke door belanghebbende in aanmerking genomen schade niet als schade in aanmerking is genomen en om welke reden.
Conclusie
4.14.
Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer schade dan reeds in aanmerking genomen. Dit brengt mee dat de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.
Belastingrente
4.15.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 mei 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.
2.Vgl. Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.4 en Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, r.o. 3.2.3.
3.Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.