ECLI:NL:RBZWB:2026:4034

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
25/6015 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Ziektewetuitkering na WIA-beoordeling wegens arbeidsgeschiktheid

Eiseres, werkzaam als hulp in de huishouding, viel op 8 februari 2022 uit en bereikte op 5 februari 2024 het einde van de wachttijd. Het UWV weigerde haar een Ziektewetuitkering toe te kennen omdat zij volgens een WIA-beoordeling minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt wordt geacht voor drie geduide functies. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat zij ernstiger beperkt is, onderbouwd met medische gegevens waaronder brieven van een internist die ME/CVS bij long covid diagnosticeerde.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek door de arts en verzekeringsarts b&b zorgvuldig is uitgevoerd en dat de geduide functies als 'zijn arbeid' in de zin van artikel 19 ZW Pro gelden. De verzekeringsarts b&b concludeerde dat er geen toename van beperkingen is sinds de WIA-beoordeling en dat eiseres geschikt is voor de functies. De rechtbank vindt dat eiseres onvoldoende nieuwe medische gegevens heeft overgelegd om dit oordeel te weerleggen.

Het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen wordt afgewezen wegens gebrek aan nadere medische onderbouwing. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het UWV terecht de ZW-uitkering heeft geweigerd. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van een Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard omdat zij geschikt is voor de geduide functies en onvoldoende medische onderbouwing voor toegenomen beperkingen heeft geleverd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6015 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering om eiseres een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht eiseres een ZW-uitkering heeft geweigerd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiseres is werkzaam geweest als hulp in de huishouding voor 20 uur per week. Zij is op 8 februari 2022 uitgevallen voor dat werk. Op 5 februari 2024 bereikte eiseres het einde van de wachttijd.
2.1.
Vervolgens heeft er een WIA-beoordeling plaatsgevonden. Eiseres wordt nog geschikt geacht voor de volgende functies: archiefmedewerker (SBC-code 315132), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140). Het UWV heeft per 6 februari 2024 een WIA-uitkering geweigerd, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
2.2.
Het UWV heeft aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend per 6 februari 2024. Eiseres is daarna niet meer werkzaam geweest. Op 27 juni 2025 heeft zij zich opnieuw ziekgemeld. Tijdens de eerste dertien weken van ziekte is de WW-uitkering van eiseres doorbetaald.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 15 september 2025 (primair besluit) bepaald dat eiseres geen recht heeft op een ZW-uitkering. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2025 op zitting behandeld. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres geschikt is om de eerder geduide functies te verrichten. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiseres medische beperkingen heeft en of zij daardoor niet in staat is ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW te verrichten. Onder zijn arbeid in de zin van de ZW wordt verstaan de laatst verrichte arbeid. Als er in het kader van de WIA-beoordeling functies zijn geduid en eiseres heeft daarna niet meer gewerkt, dan worden de geduide functies aangemerkt als ‘zijn arbeid’.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies aangemerkt moeten worden als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW.
Grondslag van het bestreden besluit
7. Het bestreden besluit is gebaseerd op rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1.
De arts heeft het dossier van eiseres bestudeerd en haar gezien op het spreekuur, waar hij haar lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. De arts heeft gerapporteerd dat eiseres toename van de klachten en ervaren belemmeringen claimt, maar dat tijdens het gesprek en gezien de onveranderde dagelijkse activiteiten er nu geen duidelijk toegenomen beperkingen zijn aan te nemen. Het feit dat eiseres verwezen is naar de Vermoeidheidkliniek om verder onderzoek te laten doen, doet daaraan niet af, want de arts kon tijdens zijn onderzoek geen toename van beperkingen objectiveren ten opzichte van de voorgaande beoordeling.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier van eiseres bestudeerd en kennisgenomen van het bezwaarschrift, met de daarbij door eiseres overgelegde informatie van internist [persoon] van 30 september 2025 en 10 oktober 2025. De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat in bezwaar wordt bevestigd dat er zich geen wijzigingen op medisch vlak hebben voorgedaan tussen het einde wachttijd WIA datum begin 2024 en de datum ziekmelding, zijnde 27 juni 2025. De eerder in kaart gebrachte belastbaarheid zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 juni 2024 wordt bevestigd in bezwaar, nu er volgens de verzekeringsarts b&b geen aanwijzingen zijn voor een gewijzigd medisch substraat ten opzichte van eerder. De conclusie van de verzekeringsarts b&b luidt dat eiseres op de datum in geding arbeidsgeschikt is te achten voor de maatstaf (geduide functies).
Standpunt van eiseres
8. Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat zij alle beschikbare (medische) gegevens, waaronder brieven van internist [persoon] van 30 september 2025 en 10 oktober 2025, heeft overgelegd. Zij meent dat het UWV daarmee in onvoldoende mate rekening heeft gehouden. Eiseres stelt dat er van ernstigere gebreken en beperkingen sprake is dan in de bestreden beslissing is overwogen en dat zij minder belastbaar is dan gesteld. Eiseres acht zich niet in staat bedrijfsmatige werkzaamheden te verrichten en kan zich dan ook niet vinden in de conclusie van de verzekeringsartsen dat zij hiertoe wel in staat is. [persoon] heeft gediagnosticeerd dat sprake is van ME/CVS bij het long covid syndroom. Uit de verklaringen van [persoon] moet worden geconcludeerd dat het voor eiseres met ingang van 27 juni 2025 niet mogelijk is om arbeid te verrichten. De verzekeringsarts b&b stelt op zich terecht dat het oordeel over arbeids(on)geschiktheid is voorbehouden aan bedrijfs- en verzekeringsartsen, maar de andere kant van die medaille is dat die artsen juist weer niet gespecialiseerd zijn in aandoeningen zoals die van eiseres. Eiseres heeft (subsidiair) verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Oordeel van de rechtbank
9. De rechtbank stelt voorop dat de in het kader van de WIA-beoordeling opgestelde FML en de daarop gebaseerde functies het uitgangspunt vormen in deze procedure. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] volgt dat als de verzekeringsarts naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen van een betrokkene sinds de eerdere WIA-beoordeling niet zijn toegenomen, daarmee is gegeven dat de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook op de datum in geding voor betrokkene geschikt zijn. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van ziekengeld op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Daarbij staat in het bijzonder ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De arts heeft eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht en de verzekeringsarts b&b heeft het dossier van eiseres, met daarin haar bezwaarschrift en informatie van de internist, bestudeerd. Eiseres heeft in beroep zelf geen (nieuwe) medische informatie ingebracht waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen waren op de hoogte van de door eiseres gestelde klachten, waaronder schildklierklachten, slaapapneu, long covid en vermoeidheidsklachten. Met deze klachten is naar het oordeel van de rechtbank door de arts en de verzekeringsarts b&b voldoende rekening gehouden. Zij hebben gemotiveerd gesteld dat de gestelde klachten niet leiden tot toegenomen beperkingen ten opzichte van de eerdere beoordeling en dat eiseres met de medisch objectiveerbare beperkingen op de datum in geding (27 september 2025) geschikt is te achten voor de maatstaf ‘zijn arbeid’, te weten de geduide functies. Daarbij is in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat eiseres weliswaar meer klachten en belemmeringen ervaart, maar dat de verklaring daarvoor niet anders is dan eerder geduid ten tijde van de WIA-beoordeling. Dat er nu door de internist wordt gesproken van ME/CVS bij long covid, maakt dit niet anders. Rondom de WIA-beoordeling was er eveneens sprake van fors aanwezige vermoeidheidsklachten en daaruit voortvloeiende ervaren cognitieve klachten, waarvoor passende beperkingen zijn geduid in het persoonlijk en sociaal functioneren alsmede in de werktijden. De rechtbank constateert dat eiseres haar stelling dat zij ernstiger beperkt en minder belastbaar is dan is aangenomen niet met (nieuwe) medisch objectiveerbare gegevens heeft onderbouwd. Evenmin heeft eiseres toegelicht waarom onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de informatie die zij eerder in de procedure heeft overgelegd. De rechtbank constateert dat de verzekeringsarts b&b kennis heeft genomen van beide brieven van de internist en deze ook heeft meegenomen in zijn beoordeling van de mogelijkheden van eiseres. Daarbij is toegelicht waarom de bevindingen van de internist niet leiden tot het aannemen van meer of andere beperkingen. Ook voor de stelling dat eiseres niet in staat is om bedrijfsmatige werkzaamheden uit te voeren, geldt dat een nadere onderbouwing ontbreekt. Zoals hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen reden om de arts en verzekeringsarts b&b niet te volgen in de stelling dat eiseres geschikt moet worden geacht om de geduide functies te verrichten. Tot slot zal het verzoek van eiseres om een onafhankelijke deskundige te benoemen door de rechtbank worden afgewezen. Bij gebreke van een nadere medische onderbouwing van de stellingen van eiseres ziet de rechtbank geen reden om een onafhankelijke deskundige in te schakelen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiseres niets verandert. Het UWV heeft terecht geweigerd heeft om per 27 juni 2025 een ZW-uitkering toe te kennen.
10.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 15 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Onder “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19 van Pro de ZW wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt uitzondering, wanneer de verzekerde – na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de WIA of een EZWb – niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek meldt. Ziekengeld kan in zo’n geval worden geweigerd wanneer is voldaan aan de volgende twee, cumulatieve, voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb of WIA geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb of WIA vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb of WIA geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%. Daarbij is niet van belang of de oorspronkelijke functies ten tijde van de latere ziekmelding nog in het CBBS aanwezig zijn. Evenmin is van belang of die functies ten tijde van de nieuwe ziekmelding op onderdelen qua belasting en/of beloning inmiddels zijn gewijzigd. [2]

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de CRvB van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672 en 20 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1762.