Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3987

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/812
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar WOZ-beschikking

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de WOZ-beschikking van een onroerend goed. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat het binnen de wettelijke termijn van een jaar na ingebrekestelling is ingediend.

De heffingsambtenaar heeft nagelaten tijdig te beslissen en heeft geen verweer gevoerd, waardoor de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stellingen van belanghebbende. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen.

Belanghebbende heeft verzocht om een dwangsom wegens de vertraging. De rechtbank wijst dit verzoek af omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend. Wel legt de rechtbank een dwangsom op voor toekomstige overschrijding van de beslistermijn.

Daarnaast krijgt belanghebbende het griffierecht en een deel van de proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen met oplegging van een dwangsom voor toekomstige overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/812

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 11 maart 2024. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking van het object [adres] in [plaats] met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Een beroep wegens niet tijdig beslissen is niet aan een termijn gebonden, maar als het beroep onredelijk laat is ingesteld is deze niet-ontvankelijk. [1]
2.1.
De heffingsambtenaar heeft geen verweer gevoerd en ook niet aan zijn verplichting voldaan om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. [2] De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico en rekening van de heffingsambtenaar dient te komen. Aangezien de heffingsambtenaar de standpunten en stukken van belanghebbende niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift ingediend op 11 maart 2024. De heffingsambtenaar moet op het bezwaarschrift beslissen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. [3] De heffingsambtenaar had dus uiterlijk op 31 december 2024 moeten beslissen. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 19 september 2025 in gebreke gesteld en op 6 februari 2026 beroep ingesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een uitspraak op bezwaar.
3.1.
Een beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. [4] Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep wegens niet-tijdig beslissen op bezwaar, kan als uitgangspunt worden genomen dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend indien het is ingediend meer dan een jaar na het moment waarop het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. [5] De heffingsambtenaar was vanaf 4 oktober 2025 in gebreke. Belanghebbende heeft het beroep circa drie maanden later ingediend. Dit is binnen de termijn van een jaar. Het beroep is ontvankelijk. Aangezien de rechtbank niet is gebleken dat de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is het beroep tevens gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de heffingsambtenaar worden opgelegd?
4. Omdat de heffingsambtenaar nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de heffingsambtenaar dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de heffingsambtenaar opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de heffingsambtenaar een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de heffingsambtenaar. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
Heeft belanghebbende recht op een dwangsom?
6. Belanghebbende heeft verzocht om een dwangsom vanwege de tijd die de heffingsambtenaar nu al te laat is met beslissen. [6] In principe bestaat daar recht op als de heffingsambtenaar niet binnen twee weken na de ingebrekestelling heeft beslist. Geen dwangsom is echter verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. [7] Of een ingebrekestelling onredelijk laat is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden. [8]
6.1.
De ingebrekestelling is ingediend meer dan negen maanden na het einde van de termijn waarbinnen de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar had moeten doen. Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar op 7 maart 2025 contact heeft opgenomen over het plannen van een hoorzitting en dat hij daar op heeft gereageerd, maar vervolgens niets meer van de heffingsambtenaar heeft vernomen. Aangezien de ingebrekestelling vervolgens zes maanden op zich heeft laten wachten, is de rechtbank van oordeel dat de ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend. [9] Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat belanghebbende gelijk krijgt, de heffingsambtenaar de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de heffingsambtenaar de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd. Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb.
7.1
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Ook heeft belanghebbende recht op een vergoeding voor de kosten van de beroepsfase. Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenvergoeding van € 776,-, omdat hij kosten heeft gemaakt voor juridische ondersteuning bij het opstellen van de ingebrekestelling en het beroepschrift. De rechtbank overweegt dat alleen voor de in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen proceshandelingen een vergoeding wordt toegekend. De ingebrekestelling staat daarin niet genoemd, het beroepschrift wel. Belanghebbende heeft zelf het beroepschrift ingediend, maar de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand welke is verleend bij de voorbereiding van het beroepschrift kunnen ook voor vergoeding in aanmerking komen. [10] Gelet op de overgelegde factuur acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende kosten voor beroepsmatige bijstand heeft gemaakt. De rechtbank kent een vergoeding toe van € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de heffingsambtenaar op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende een dwangsom van € 50,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 54,- aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 11 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 8:42 van Pro de Awb.
3.Dit staat in artikel 236 van Pro de Gemeentewet.
4.Dit staat in artikel 6:12, vierde lid van de Awb.
5.Hoge Raad 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:711.
6.Op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb.
7.Dit staat in artikel 4:17, vijfde lid, onder a van de Awb.
8.Vgl. Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3293.
9.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1686. De Hoge Raad heeft het daartegen gerichte beroep in cassatie ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 81 RO Pro.
10.Hoge Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4171.