Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3983

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
BRE 26/1910 BRP VV en BRE 26/1912 BRP B
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.20 Wet BRPArt. 2.21 Wet BRPArt. 2.22 Wet BRPArt. 2.43 Wet BRPArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ambtshalve uitschrijving uit BRP en inschrijving in RNI wegens langdurig verblijf in buitenland

Verzoekster is ambtshalve uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (BRP) en ingeschreven in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI) door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, omdat zij meer dan twee derde van de periode van 22 juli 2024 tot en met 22 juli 2025 in het buitenland verbleef. Verzoekster betwist dit en stelt dat zij haar hoofdverblijf in Nederland heeft behouden en dat de uitschrijving onrechtmatig is.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening behandeld. Uit het onderzoek blijkt dat verzoekster geen aangifte van vertrek heeft gedaan en dat het college op grond van gedegen onderzoek, waaronder bankafschriften en informatie van de woningbouwvereniging en het Regionaal Bureau Leren, aannemelijk heeft gemaakt dat verzoekster langdurig in Bosnië verbleef. De stelling van verzoekster dat haar dochter de buitenlandse pintransacties verrichtte, wordt niet geloofd.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft gehandeld conform artikel 2.22 van de Wet BRP en dat verzoekster onvoldoende bewijs heeft geleverd dat zij duurzaam in Nederland verbleef. De medische afspraken die verzoekster overlegt, zijn grotendeels na de relevante periode en kunnen het besluit niet aantasten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de ambtshalve uitschrijving uit de BRP en inschrijving in de RNI wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/1910 BRP VV en BRE 26/1912 BRP B
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. S.J.C. Marijnissen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, het college, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ambtshalve uitschrijving van verzoekster uit de Basisregistratie personen (Brp) en inschrijving in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Verzoekster voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht verzoekster heeft uitgeschreven uit de Brp en ingeschreven in de RNI. Verzoekster krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 29 oktober 2025 (primair besluit) verzoekster per 19 augustus 2025 uitgeschreven uit de Brp en ingeschreven in de RNI. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 maart 2026 op het bezwaar van verzoekster is het college bij dit besluit gebleven.
2.1.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het beroep en het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. P.F.M. Gulickx als waarnemer voor de gemachtigde van verzoekster en mr. S.E.J. Wuijts en [persoon] namens het college.
2.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van verzoekster. [1]

Totstandkoming van het besluit

Feiten en omstandigheden
3. In april 2025 heeft het college van de woningbouwvereniging Thuisvester vernomen dat verzoekster niet meer op het adres woont waarop zij staat ingeschreven in de Brp, de [adres 1] . De woningbouwvereniging gaf aan vermoedens te hebben dat verzoekster samen met haar minderjarige dochter in het buitenland zou verblijven. Daaraan voorafgaand heeft de woningbouwverenging op 27 februari 2025 een huisbezoek afgelegd, omdat er signalen waren voor mogelijke illegale onderhuur op dat adres. Per 1 mei 2025 heeft verzoekster de huur van deze woning opgezegd.
Desgevraagd heeft Regionaal Bureau Leren (RBL) West-Brabant aan het college een e-mail van verzoekster van 24 juli 2024 verstrekt waarin zij heeft verzocht om vrijstelling van de leerplicht voor haar dochter voor het schooljaar 2024/2025. Daarin heeft verzoekster aangegeven dat van plan was om acht maanden in Bosnië te verblijven en dat zij van haar werk goedkeuring heeft gekregen om voor een aantal maanden vanuit het buitenland te werken. RBL West-Brabant heeft het college op 29 juli 2025 verder geïnformeerd dat verzoekster tweemaal een vrijstelling voor haar dochter heeft aangevraagd, te weten van 28 oktober 2024 tot en met 31 juli 2025 en van 25 augustus 2025 tot en met 24 april 2026. RBL West-Brabant heeft vrijstellingen afgegeven voor de schooljaren 2024/2025 en 2025/2026.
Verzoekster heeft zich – bij de gemeentebalie – willen inschrijven op de [adres 2] , het adres van haar moeder. Deze inschrijving is ter plaatse geweigerd. Op 13 juni 2025 heeft verzoekster digitaal – met gebruikmaking van haar DigiD – een adreswijziging naar dit adres doorgegeven.
De woningbouwvereniging Thuisvester, die ook eigenaar van deze woning is, heeft aangegeven dat verzoekster daar niet woonachtig is en ook geen toestemming heeft verkregen voor inwoning. Verzoekster zou hebben aangegeven dit adres als correspondentieadres te gebruiken en dat zij zelf in het buitenland zal gaan wonen bij haar dochter en ex-partner. Ook voor deze woning zijn signalen ontvangen voor mogelijke illegale onderhuur.
3.1.
Gelet op voorstaande bevindingen heeft het college op 24 juli 2025 het adres van verzoekster in onderzoek gesteld. In het kader van dat onderzoek heeft het college rekeningafschriften van 24 oktober 2024 tot en met 24 juli 2025 bij verzoekster opgevraagd. Verzoekster heeft deze aan het college verstrekt.
3.2.
Met de brief van 19 augustus 2025 is verzoekster in kennis gesteld van het voornemen om haar en haar minderjarige dochter uit te schrijven uit de BRP en in te schrijven in de RNI. Met het voornemen is verzoekster daarnaast in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken alsnog aangifte te doen van haar adreswijziging. Hiertegen heeft verzoekster een zienswijze ingediend.
3.3.
Vervolgens zijn bij verzoekster nadere bankafschriften opgevraagd over de periodes voorafgaand aan en na afloop van de periode waarvoor eerder bankafschriften zijn opgevraagd. Ook is haar gevraagd aan te tonen waar zij verbleef in de periode 2 tot en met 5 januari 2025 en 22 maart tot en met 23 april 2025. Ook over deze periodes heeft verzoekster documenten aan het college verstrekt.
3.4.
Met het primaire besluit heeft het college verzoekster per 19 augustus 2025 uitgeschreven uit de Brp en ingeschreven in de RNI. Daarbij heeft het college opgemerkt dat geen aangifte van een nieuw adres is ontvangen en dat haar nieuwe adres niet op een andere wijze bekend is geworden.
Het college heeft naar aanleiding van de aangeleverde bankafschriften en de extra opgevraagde inlichtingen aangenomen dat verzoekster het volgende aantal dagen in het buitenland heeft verbleven.
  • In juli 2024 minstens 9 dagen.
  • In augustus 2024 minstens 12 dagen.
  • In september 2024 minstens 1 dag.
  • In oktober 2024 minstens 16 dagen.
  • In november 2024 minstens 24 dagen.
  • In december 2024 31 dagen.
  • In januari 2025 31 dagen.
  • In februari 2025 minstens 17 dagen.
  • In maart 2025 minstens 26 dagen.
  • In april 2025 minstens 21 dagen.
  • In mei 2025 minstens 20 dagen.
  • In juni 2025 minstens 19 dagen.
  • In juli 2025 minstens 22 dagen.
Dit komt neer op 249 dagen totaal dat verzoekster minstens in het buitenland heeft verbleven. Twee derde van de periode van 22 juli 2024 tot en met 22 juli 2025 is 243,5 dagen. Dit betekent dat verzoekster meer dan twee derde van een jaar in het buitenland heeft verbleven. Verzoekster is verplicht om zichzelf uit te schrijven uit de Brp wanneer zij
binnen twaalf maanden langer dan acht maanden in het buitenland verblijft. Deze periode hoeft niet aaneengesloten te zijn. Verzoekster had dan ook voor zichzelf en haar dochter allang een emigratie door moeten geven. Omdat verzoekster hierin heeft verzuimd doet het college dit ambtshalve voor beiden.
In reactie op de zienswijze heeft het college overwogen dat door de financiële transacties (het pingedrag), die hoofdzakelijk in Bosnië hebben plaatsgevonden, het college heeft kunnen constateren dat het hoofdverblijf van verzoekster in Bosnië is en niet in Nederland. De stelling van verzoekster dat zij nooit aan de leerplichtambtenaar zou hebben verklaard dat zij voornemens is acht maanden in het buitenland te verblijven, komt niet overeen met de informatie die is ontvangen van RBL West-Brabant. De stelling van verzoekster dat zij haar hoofdverblijf heeft in Nederland op het adres in [plaats 1] , is tegenstrijdig met de bewijsstukken die zij heeft aangeleverd. Vanuit Bosnië is het ook mogelijk om de volledige financiële zorg voor haar dochter te dragen. Daarnaast heeft het uitzendbureau waarvoor verzoekster werkte verklaard dat zij thuiswerk heeft gedaan dat ook makkelijk vanuit Bosnië was uit te voeren is. Het college heeft verder gezien dat verzoekster veel reist, maar zij vliegt altijd weer voor langere tijd terug naar Bosnië. Ook na het voornemen heeft verzoekster desgevraagd geen enkel bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat zij wel in Nederland heeft verbleven.
3.5.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bestreden besluit
3.6.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van verzoekster, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie van 9 maart 2026, ongegrond verklaard.
Gelet op alle feiten en omstandigheden acht de Adviescommissie het aannemelijk dat verzoekster niet daadwerkelijk woont op het door haar opgegeven adres en dat zij onvoldoende heeft aangetoond dat haar hoofdverblijf In Nederland is. Het college heeft daarom terecht gebruikgemaakt van de bevoegdheid om haar ambtshalve uit te schrijven uit de Brp en in te schrijven in de RNI per 19 augustus 2025.
Daartoe wordt overwogen dat het aan verzoekster is om aannemelijk te maken dat zij feitelijk woont op het door haar opgegeven adres. Ondanks diverse verzoeken heeft zij geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd die aantonen dat zij daadwerkelijk en duurzaam verblijft aan de [adres 2] . Evenmin heeft zij duidelijk kunnen maken waar zij verbleef in de periodes die door het college specifiek zijn uitgevraagd. Het uitblijven van deze informatie heeft de onduidelijkheid over haar feitelijke verblijfplaats vergroot.
Meegewogen mag worden dat verzoekster eerder zelf heeft verklaard dat zij langere tijd in Bosnië zou verblijven in verband met de hereniging met de vader van haar dochter en het volgen van onderwijs door haar dochter in Bosnië. Deze elementen zijn consistent met de bevindingen uit het bankafschriftenonderzoek, waaruit frequente transacties in [plaats 2] naar voren komen. Uit de objectieve feiten en omstandigheden - waaronder het langdurige verblijf van de dochter in Bosnië, het onderwijs aldaar, de detentie-situatie van de vader en de vele transacties in [plaats 2] - volgen wel degelijk aanwijzingen dat verzoekster niet duurzaam in Nederland verblijft. Het ontbreken van bewijs van het tegendeel komt voor rekening van verzoekster. Dat zij niet bij haar ex-partner zou wonen doet hier niet aan af. De verklaring van verzoekster dat de Bosnische transacties met Apple Pay zijn verricht door haar dochter van zeven jaar oud, wordt niet geloofwaardig geacht. Het gebruik van Apple Pay door een minderjarige van deze leeftijd is niet zonder meer mogelijk, omdat daarbij meer komt kijken, zoals toegang tot het gekoppelde toestel, de beschikking over de verificatiemethode en handelingsbekwaamheid om zelfstandig betalingen te verrichten. Er is geen objectieve onderbouwing overgelegd waaruit blijkt dat dit in dit geval zo zou zijn. Bovendien verklaart deze stelling niet waarom over een langere periode frequent transacties in [plaats 2] plaatsvinden, noch waarom verzoekster geen enkel bewijs van verblijf in Nederland heeft overgelegd voor de betreffende periodes.
Dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel wordt niet gevolgd. Het dossier toont aan dat het college meerdere onderzoeken heeft uitgevoerd, dat informatie is opgevraagd bij de verhuurder en dat de bankafschriften zijn beoordeeld. Verder blijkt uit het dossier dat om verdere aanvullende stukken is verzocht, dat een voorgenomen besluit is verzonden waarop verzoekster een zienswijze heeft ingediend en dat alle beschikbare informatie op deugdelijke bij het besluit is betrokken. Gelet op de feiten en omstandigheden is er voldaan aan het bepaalde in artikel 2.22 van de Wet BRP. Er is een voldoende gedegen onderzoek verricht naar aanleiding van een melding en verschillende bezoeken, waardoor voldoende twijfel is ontstaan aan de juistheid van de
adresgegevens om een adresonderzoek te starten. Verzoekster heeft niet aangetoond dat zij
feitelijk op het adres verbleef of anderszins aannemelijk gemaakt dat het college niet tot
uitschrijving over had mogen gaan.
Standpunt verzoekster
4. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij ten onrechte is uitgeschreven uit de basisadministratie. Deze uitschrijving is onrechtmatig, nu zij haar hoofdverblijf in Nederland heeft behouden en nimmer duurzaam naar het buitenland is vertrokken.
Verzoekster heeft de huurovereenkomst van de woning aan de [adres 1] zelf per begin mei 2025 opgezegd. Ongeveer zeven dagen later is verzoekster samen met haar moeder naar de gemeente gegaan om haar verhuizing door te geven naar het adres van haar moeder. Bij het gemeenteloket werd echter aangegeven dat verzoekster deze verhuizing niet kon doorgeven, omdat haar adres in adresonderzoek stond. Verzoekster werd hiervoor naar Thuisvester doorverwezen. Thuisvester heeft dit adressenonderzoek echter betwist. Het verzoek tot inschrijving op het domicilieadres bij haar moeder op 13 juni 2025 is wel doorgevoerd. Sindsdien verblijft verzoekster feitelijk bij haar moeder.
Daarnaast heeft verzoekster aangevoerd dat zij zwanger is. Vanwege medische complicaties dient verzoekster veelvuldig op controle te gaan bij de huisarts dan wel artsen in het ziekenhuis. Verzoekster heeft documentatie overgelegd waaruit blijkt dat zij in ieder geval in de periode van 22 mei 2025 tot en met 4 maart 2026 25 medische afspraken in Nederland heeft gehad. Deze medische documentatie vormt een objectieve, onafhankelijke en verifieerbare bron die haar daadwerkelijke fysieke aanwezigheid in Nederland bevestigt.
Verzoekster betwist nadrukkelijk dat zij voor een langere periode in het buitenland is geweest. Het klopt dat verzoekster in eerste instantie tegenover RBL West-Brabant heeft aangegeven dat zij van plan was om acht maanden in Bosnië te verblijven, maar dit kon niet doorgaan omdat zij van haar werkgever maar maximaal drie maanden in het buitenland mocht verblijven. Verzoekster is vanaf eind oktober 2024 tot medio december 2024 in het buitenland geweest. Verzoekster heeft verder aangegeven dat van enig verblijf bij haar ex-partner geen sprake is geweest. Haar ex-partner heeft drie jaar gedetineerd gezeten en zij is van hem gescheiden.
Het tijdelijke verblijf van de dochter van verzoekster in het buitenland mag niet worden aangemerkt als een aanwijzing dat verzoekster zelf haar hoofdverblijf naar het buitenland heeft verplaatst. De omstandigheden van haar dochter staan los van de feitelijke woon- en leefsituatie van verzoekster. Het college heeft dit onderscheid miskend. Dit getuigt van een onzorgvuldige en onjuiste belangenafweging. Haar dochter is naar het buitenland vertrokken vanwege een ingrijpende gebeurtenis in Nederland, te weten een aanranding op school. Deze gebeurtenis heeft een grote impact op haar gehad, waardoor zij zich in Nederland niet langer veilig voelde en niet meer zelfstandig over straat durfde. Als gevolg hiervan is ervoor gekozen om haar dochter tijdelijk in Bosnië te laten verblijven, waar zij wordt opgevangen door vrienden en familie. Verzoekster is weleens bij haar dochter langs gegaan in het buitenland, maar is geen acht maanden in het buitenland verbleven.
Het college lijkt haar standpunt mede te baseren op pintransacties in het buitenland. Uit de bankafschriften blijkt echter dat op één en dezelfde dag zowel transacties in Bosnië als in Nederland zijn verricht, met een zeer korte tijdspanne daartussen. Dit sluit reeds uit dat deze transacties door één en dezelfde persoon op dezelfde locatie zijn verricht. De werkelijkheid is derhalve dat de dochter van verzoekster in het buitenland via Apple-pay op haar telefoon betalingen heeft verricht en dat verzoekster daarnaast zelf in Nederland een transactie met haar bankpas bij pinautomaten in Nederland heeft verricht. Dat zou blijken uit de bankafschriften. De afschrijvingen op de bankafschriften geven dus geen bewijs voor de stelling dat verzoekster langdurige periodes in het buitenland zou hebben verbleven
Verzoekster heeft bovendien aangevoerd dat zij bij haar moeder woont en volledig afhankelijk is van haar ziekengeld van het UWV, de zorgtoeslag, het kind gebonden budget,
huurtoeslag en de kinderbijslag enzovoorts. Wegens de uitschrijving uit de Brp bestaat het risico dat deze inkomsten volledig worden stopgezet dan wel anderszins beëindigd. Dit is
voor verzoekster volstrekt onhoudbaar, aangezien zij geen andere middelen van bestaan heeft.
Daarnaast heeft verzoekster aangevoerd dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. Uit de registratie blijkt dat verzoekster reeds per 19 augustus 2025 uit de basisadministratie is uitgeschreven, terwijl het formele besluit daartoe eerst op 29 oktober 2025 is genomen en bovendien niet tijdig aan haar kenbaar is gemaakt. Verzoekster is hierdoor in haar rechtspositie geschaad, nu zij pas weken later op de hoogte werd gesteld van het besluit, na meermaals om een afschrift van het besluit te hebben verzocht.
Tot slot heeft verzoekster ook aangevoerd dat sprake is van onzorgvuldig onderzoek en strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het kenbaarheidsvereiste.

Juridisch kader

5. De voor de beoordeling van het beroep en de voorlopige voorziening belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. Volgens vaste rechtspraak is het doel van de Wet brp dat de in de Brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat gebruikers van deze gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de Brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. Bij de toepassing van de Wet brp moet aan de hand van een geheel van waarneembare omstandigheden worden beoordeeld waar iemand woont.
In artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve moet uitschrijven als ingezetene uit de Brp. Er zijn drie voorwaarden:
  • de ingezetene kan niet worden bereikt,
  • van hem is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen en
  • na gedegen onderzoek kunnen geen gegevens over hem worden achterhaald over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland.
De eerste voorwaarde houdt in dat de ingezetene niet daadwerkelijk woont, en daarom niet in persoon bereikbaar is, op zijn in de Brp geregistreerde woonadres. Het adresonderzoek strekt er onder meer toe te onderzoeken of aan dit vereiste is voldaan. Artikel 2.22, eerste lid, derde voorwaarde, vereist dat dit onderzoek gedegen is. Voor het uitvoeren van het adresonderzoek is de Circulaire Adresonderzoek Brp ontwikkeld. [2]
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet in geschil is dat het college terecht de dochter van verzoekster heeft uitgeschreven uit de Brp en heeft ingeschreven in de RNI, omdat zij in Bosnië verblijft. Het geschil heeft alleen betrekking op de uitschrijving uit de Brp en de inschrijving in de RNI van verzoekster. Waarbij de voorzieningenrechter opmerkt dat niet in geschil is dat voldaan is aan het voorgenoemd tweede criterium; dat verzoekster geen aangifte van vertrek naar het buitenland heeft gedaan.
7.1.
Aan het bestreden besluit heeft het college op grond van artikel 2.21, eerste lid, van de Wet Brp ten grondslag gelegd dat verzoekster in de periode van 22 juli 2024 tot en met 22 juli 2025 twee derde van haar tijd buiten Nederland heeft verbleven.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster heeft gesteld in deze periode twee adressen in Nederland te hebben gehad. Verzoekster heeft verklaard tot mei 2025 op de [adres 1] te hebben gewoond. Dit is ook het adres waarop zij stond geregistreerd in de Brp. In mei 2025 en juni 2025 heeft verzoekster geprobeerd een adreswijziging door te geven naar de [adres 2] , welke adreswijziging in juni 2025 is doorgevoerd. Verzoekster is vanuit dit adres uitgeschreven uit de Brp.
7.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat op grond van artikel 2.21, derde lid, van de Wet Brp als datum van vertrek uit Nederland de dag opgenomen wordt waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek aan de ingeschrevene schriftelijk mededeling is gedaan. In dit geval is het voornemen gedateerd op 19 augustus 2025. De voorzieningenrechter zal de situatie dan ook beoordelen zoals die was op dát moment (de zogenaamde ex-tunc toetsing).
7.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoekster niet bereikbaar was op de onder 7.1. genoemde adressen als bedoeld in voorgenoemde jurisprudentie. Verder is uit gedegen en zorgvuldig onderzoek gebleken dat van verzoekster geen verblijf- en adresgegevens in Nederland achterhaald konden worden en dat zij in het buitenland heeft verbleven. Het college heeft zich daarbij kunnen baseren op de informatie verkregen van de woningbouwvereniging en RBL West-Brabant en de door verzoekster overgelegde bankafschriften.
Het college heeft mogen meewegen dat verzoekster zelf oorspronkelijk per mail aan RBL West-Brabant heeft doorgegeven van plan te zijn acht maanden in Bosnië te verblijven. De stelling van verzoekster dat dit niet kon doorgaan omdat zij van haar werkgever maar maximaal drie maanden in het buitenland mocht verblijven, is niet onderbouwd en is gelet op de verdere onderzoeksbevindingen onvoldoende om tot een ander standpunt te komen.
Verder heeft het college groot gewicht mogen hechten aan de door verzoekster overgelegde bankafschriften. Daaruit blijkt dat er binnen de relevante periode, 22 juli 2024 tot en met 22 juli 2025, meer dan twee derde van de dagen in het buitenland (Bosnië) bedragen via Apple-pay zijn gepind vanaf de bankrekening van verzoekster. Het college heeft de stelling van verzoekster dat deze betalingen door haar zevenjarige dochter in Bosnië zijn verricht, niet hoeven volgen. Op de bankafschriften is namelijk niet te zien dat de betalingen in het buitenland en Nederland elkaar overlappen. Als verzoekster in Nederland zou verblijven zou je naast betalingen in het buitenland betalingen voor bijvoorbeeld boodschappen in Nederland verwachten. Op momenten dat dergelijke betalingen in Nederland plaatsvinden vinden er echter geen betalingen in het buitenland plaats. Voor de stelling van verzoekster dat er pintransacties in Bosnië en Nederland hebben plaatsgevonden met een zeer korte tijdspanne ertussen, ziet de voorzieningenrechter geen aanwijzingen in de bankafschriften. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat gekeken moet worden naar de transactiedatum en niet de afboekingsdatum.
Met betrekking tot de door verzoekster overgelegde bewijzen van medische afspraken in Nederland, merkt de voorzieningenrechter allereerst op dat deze pas in beroep zijn overgelegd, zodat het het college niet valt aan te rekenen dat het daarmee geen rekening heeft gehouden. Voorts merkt de voorzieningenrechter op dat het merendeel van deze afspraken hebben plaatsgevonden ná de periode die het college heeft beoordeeld – en moeten beoordelen – en ná de datum van uitschrijving uit het Brp. Deze kunnen dan ook niet af doen aan het bestreden besluit. Het beperkte aantal afspraken dat wel heeft plaatsgevonden in de relevante periode conflicteren daarnaast vrijwel niet met betalingen die in het buitenland zijn verricht. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de verwijzing naar medische afspraken onvoldoende was voor de conclusie dat het college daaraan ten onrechte niet de conclusie ontleende dat verzoekster in de te beoordelen periode wél in Nederland woonachtig was.
De voorzieningenrechter concludeert dat het college terecht verzoekster heeft uitgeschreven uit de Brp en ingeschreven in de RNI.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 13 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
-

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet basisregistratie personen
Artikel 2.20
Aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, worden gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
Indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.
Als datum van adreswijziging wordt opgenomen:
a. de in de aangifte vermelde datum van adreswijziging, als tijdig aangifte is gedaan;
b. de dag waarop de aangifte is ontvangen, in de overige gevallen waarin de gegevens aan de aangifte van de betrokkene worden ontleend;
c. de dag waarop van het voornemen tot opneming aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan, bij ambtshalve opneming van de gegevens.
(…)
Artikel 2.21
Aan de aangifte van vertrek van de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, worden gegevens betreffende het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland ontleend.
Indien de ingezetene in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de ingezetene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.
Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek aan de ingeschrevene schriftelijk mededeling is gedaan.
(…)
Artikel 2.22
Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.
Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt.
Artikel 2.43
De ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd buiten Nederland zal verblijven, doet bij het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek. De aangiftetermijn vangt aan op de vijfde dag voor de dag van vertrek.
De ingezetene doet in die aangifte mededeling van de gegevens over zijn vertrek en het volgende verblijf buiten Nederland.
(…)

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 17 april 2024, r.o. 4.1 (ECLI:NL:RVS:2024:1592) en van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3241).