3.6.Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van verzoekster, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie van 9 maart 2026, ongegrond verklaard.
Gelet op alle feiten en omstandigheden acht de Adviescommissie het aannemelijk dat verzoekster niet daadwerkelijk woont op het door haar opgegeven adres en dat zij onvoldoende heeft aangetoond dat haar hoofdverblijf In Nederland is. Het college heeft daarom terecht gebruikgemaakt van de bevoegdheid om haar ambtshalve uit te schrijven uit de Brp en in te schrijven in de RNI per 19 augustus 2025.
Daartoe wordt overwogen dat het aan verzoekster is om aannemelijk te maken dat zij feitelijk woont op het door haar opgegeven adres. Ondanks diverse verzoeken heeft zij geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd die aantonen dat zij daadwerkelijk en duurzaam verblijft aan de [adres 2] . Evenmin heeft zij duidelijk kunnen maken waar zij verbleef in de periodes die door het college specifiek zijn uitgevraagd. Het uitblijven van deze informatie heeft de onduidelijkheid over haar feitelijke verblijfplaats vergroot.
Meegewogen mag worden dat verzoekster eerder zelf heeft verklaard dat zij langere tijd in Bosnië zou verblijven in verband met de hereniging met de vader van haar dochter en het volgen van onderwijs door haar dochter in Bosnië. Deze elementen zijn consistent met de bevindingen uit het bankafschriftenonderzoek, waaruit frequente transacties in [plaats 2] naar voren komen. Uit de objectieve feiten en omstandigheden - waaronder het langdurige verblijf van de dochter in Bosnië, het onderwijs aldaar, de detentie-situatie van de vader en de vele transacties in [plaats 2] - volgen wel degelijk aanwijzingen dat verzoekster niet duurzaam in Nederland verblijft. Het ontbreken van bewijs van het tegendeel komt voor rekening van verzoekster. Dat zij niet bij haar ex-partner zou wonen doet hier niet aan af. De verklaring van verzoekster dat de Bosnische transacties met Apple Pay zijn verricht door haar dochter van zeven jaar oud, wordt niet geloofwaardig geacht. Het gebruik van Apple Pay door een minderjarige van deze leeftijd is niet zonder meer mogelijk, omdat daarbij meer komt kijken, zoals toegang tot het gekoppelde toestel, de beschikking over de verificatiemethode en handelingsbekwaamheid om zelfstandig betalingen te verrichten. Er is geen objectieve onderbouwing overgelegd waaruit blijkt dat dit in dit geval zo zou zijn. Bovendien verklaart deze stelling niet waarom over een langere periode frequent transacties in [plaats 2] plaatsvinden, noch waarom verzoekster geen enkel bewijs van verblijf in Nederland heeft overgelegd voor de betreffende periodes.
Dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel wordt niet gevolgd. Het dossier toont aan dat het college meerdere onderzoeken heeft uitgevoerd, dat informatie is opgevraagd bij de verhuurder en dat de bankafschriften zijn beoordeeld. Verder blijkt uit het dossier dat om verdere aanvullende stukken is verzocht, dat een voorgenomen besluit is verzonden waarop verzoekster een zienswijze heeft ingediend en dat alle beschikbare informatie op deugdelijke bij het besluit is betrokken. Gelet op de feiten en omstandigheden is er voldaan aan het bepaalde in artikel 2.22 van de Wet BRP. Er is een voldoende gedegen onderzoek verricht naar aanleiding van een melding en verschillende bezoeken, waardoor voldoende twijfel is ontstaan aan de juistheid van de
adresgegevens om een adresonderzoek te starten. Verzoekster heeft niet aangetoond dat zij
feitelijk op het adres verbleef of anderszins aannemelijk gemaakt dat het college niet tot
uitschrijving over had mogen gaan.
Standpunt verzoekster
4. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij ten onrechte is uitgeschreven uit de basisadministratie. Deze uitschrijving is onrechtmatig, nu zij haar hoofdverblijf in Nederland heeft behouden en nimmer duurzaam naar het buitenland is vertrokken.
Verzoekster heeft de huurovereenkomst van de woning aan de [adres 1] zelf per begin mei 2025 opgezegd. Ongeveer zeven dagen later is verzoekster samen met haar moeder naar de gemeente gegaan om haar verhuizing door te geven naar het adres van haar moeder. Bij het gemeenteloket werd echter aangegeven dat verzoekster deze verhuizing niet kon doorgeven, omdat haar adres in adresonderzoek stond. Verzoekster werd hiervoor naar Thuisvester doorverwezen. Thuisvester heeft dit adressenonderzoek echter betwist. Het verzoek tot inschrijving op het domicilieadres bij haar moeder op 13 juni 2025 is wel doorgevoerd. Sindsdien verblijft verzoekster feitelijk bij haar moeder.
Daarnaast heeft verzoekster aangevoerd dat zij zwanger is. Vanwege medische complicaties dient verzoekster veelvuldig op controle te gaan bij de huisarts dan wel artsen in het ziekenhuis. Verzoekster heeft documentatie overgelegd waaruit blijkt dat zij in ieder geval in de periode van 22 mei 2025 tot en met 4 maart 2026 25 medische afspraken in Nederland heeft gehad. Deze medische documentatie vormt een objectieve, onafhankelijke en verifieerbare bron die haar daadwerkelijke fysieke aanwezigheid in Nederland bevestigt.
Verzoekster betwist nadrukkelijk dat zij voor een langere periode in het buitenland is geweest. Het klopt dat verzoekster in eerste instantie tegenover RBL West-Brabant heeft aangegeven dat zij van plan was om acht maanden in Bosnië te verblijven, maar dit kon niet doorgaan omdat zij van haar werkgever maar maximaal drie maanden in het buitenland mocht verblijven. Verzoekster is vanaf eind oktober 2024 tot medio december 2024 in het buitenland geweest. Verzoekster heeft verder aangegeven dat van enig verblijf bij haar ex-partner geen sprake is geweest. Haar ex-partner heeft drie jaar gedetineerd gezeten en zij is van hem gescheiden.
Het tijdelijke verblijf van de dochter van verzoekster in het buitenland mag niet worden aangemerkt als een aanwijzing dat verzoekster zelf haar hoofdverblijf naar het buitenland heeft verplaatst. De omstandigheden van haar dochter staan los van de feitelijke woon- en leefsituatie van verzoekster. Het college heeft dit onderscheid miskend. Dit getuigt van een onzorgvuldige en onjuiste belangenafweging. Haar dochter is naar het buitenland vertrokken vanwege een ingrijpende gebeurtenis in Nederland, te weten een aanranding op school. Deze gebeurtenis heeft een grote impact op haar gehad, waardoor zij zich in Nederland niet langer veilig voelde en niet meer zelfstandig over straat durfde. Als gevolg hiervan is ervoor gekozen om haar dochter tijdelijk in Bosnië te laten verblijven, waar zij wordt opgevangen door vrienden en familie. Verzoekster is weleens bij haar dochter langs gegaan in het buitenland, maar is geen acht maanden in het buitenland verbleven.
Het college lijkt haar standpunt mede te baseren op pintransacties in het buitenland. Uit de bankafschriften blijkt echter dat op één en dezelfde dag zowel transacties in Bosnië als in Nederland zijn verricht, met een zeer korte tijdspanne daartussen. Dit sluit reeds uit dat deze transacties door één en dezelfde persoon op dezelfde locatie zijn verricht. De werkelijkheid is derhalve dat de dochter van verzoekster in het buitenland via Apple-pay op haar telefoon betalingen heeft verricht en dat verzoekster daarnaast zelf in Nederland een transactie met haar bankpas bij pinautomaten in Nederland heeft verricht. Dat zou blijken uit de bankafschriften. De afschrijvingen op de bankafschriften geven dus geen bewijs voor de stelling dat verzoekster langdurige periodes in het buitenland zou hebben verbleven
Verzoekster heeft bovendien aangevoerd dat zij bij haar moeder woont en volledig afhankelijk is van haar ziekengeld van het UWV, de zorgtoeslag, het kind gebonden budget,
huurtoeslag en de kinderbijslag enzovoorts. Wegens de uitschrijving uit de Brp bestaat het risico dat deze inkomsten volledig worden stopgezet dan wel anderszins beëindigd. Dit is
voor verzoekster volstrekt onhoudbaar, aangezien zij geen andere middelen van bestaan heeft.
Daarnaast heeft verzoekster aangevoerd dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. Uit de registratie blijkt dat verzoekster reeds per 19 augustus 2025 uit de basisadministratie is uitgeschreven, terwijl het formele besluit daartoe eerst op 29 oktober 2025 is genomen en bovendien niet tijdig aan haar kenbaar is gemaakt. Verzoekster is hierdoor in haar rechtspositie geschaad, nu zij pas weken later op de hoogte werd gesteld van het besluit, na meermaals om een afschrift van het besluit te hebben verzocht.
Tot slot heeft verzoekster ook aangevoerd dat sprake is van onzorgvuldig onderzoek en strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het kenbaarheidsvereiste.