Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3817

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
24/6276
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 4 AVGArt. 23 AVGArt. 41 UAVGArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake inzageverzoek persoonsgegevens in Fraude Signalering Voorziening

Eiser verzocht op grond van artikel 15 van Pro de AVG inzage in zijn persoonsgegevens die zijn opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst. De minister verstrekte een overzicht van de geregistreerde gegevens, maar weigerde inzage in de herkomst (bron) van deze gegevens met toepassing van uitzonderingsgronden uit artikel 41 van Pro de UAVG.

De rechtbank stelt vast dat de minister weliswaar een overzicht heeft verstrekt, maar dat dit niet volledig is omdat de brongegevens en aantekeningen zijn achtergehouden zonder voldoende motivering. De rechtbank volgt de minister in het beschermen van namen van ambtenaren, maar oordeelt dat de minister onvoldoende heeft toegelicht waarom de aantekening en brongegevens niet verstrekt kunnen worden, terwijl de AVG vereist dat de betrokkene inzage krijgt in alle beschikbare informatie over de bron, tenzij zwaarwegende belangen zich verzetten.

De rechtbank wijst erop dat de minister de belangenafweging beter moet motiveren en dat hij de gegevens over de bron alsnog kan verstrekken in een vorm die niet herleidbaar is tot persoonsgegevens. De minister krijgt de gelegenheid om het gebrek in de motivering te herstellen binnen zes weken. De verdere procedure wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom inzage in de brongegevens is geweigerd en geeft de minister gelegenheid dit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6276

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen

mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.N. Peijnenburg),
en

de minister van Financiën, de minister.

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over een verzoek op grond van artikel 15 van Pro de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) om inzage in de persoonsgegevens van eiser in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst. Eiser is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek en de wijze waarop inzage is gegeven door de minister. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de behandeling van het inzageverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het algemeen belang in de weg staat aan bekendmaking van de gegevens over de bron van de over eiser opgenomen gegevens in de FSV
.Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. De minister zal wel in de gelegenheid worden gesteld om dit gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 31 augustus 2023 heeft eiser een brief gestuurd naar de Belastingdienst met vragen over een registratie over hem in de FSV. De minister heeft deze brief aangemerkt als een inzageverzoek in de zin van de AVG. Bij besluit van 2 januari 2024 heeft de minister het inzageverzoek gedeeltelijk toegewezen. Met het bestreden besluit van 22 juli 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens de minister mr. [naam 1] en mr. [naam 2].
2.3.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend, waarbij de minister is opgedragen om de informatie waarop de uitzonderingsgronden zijn toegepast in te dienen en om daarbij te vermelden dat artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt toegepast. Eiser heeft ter zitting ermee ingestemd dat de rechtbank de stukken onder beperkte kennisneming bij de beoordeling zal betrekken.
2.4.
De minister heeft deze informatie toegezonden waarbij hij een beroep heeft gedaan op artikel 8:29 van Pro de Awb. Op 1 december 2025 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat beperkte kennisneming van de niet-geschoonde documenten gerechtvaardigd is.
2.5.
De rechtbank heeft hierna het onderzoek gesloten omdat partijen niet meer hebben gereageerd op de aankondiging van de rechtbank om een tweede zitting achterwege te laten.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. De Belastingdienst heeft eiser bij brief van 15 augustus 2023 geïnformeerd dat gegevens over hem in de FSV zijn opgenomen. Het gebruik van deze voorziening voldeed in zijn algemeenheid niet aan de AVG, omdat te veel medewerkers daar toegang toe hadden en de gegevens te lang werden bewaard. Sommige gegevens zijn ten onrechte in de FSV opgenomen en sommige gegevens zijn verkeerd gebruikt. Daarom heeft de staatssecretaris de toegang voor belastingmedewerkers tot de FSV op 27 februari 2020 uitgezet en wordt de FSV niet meer gebruikt door de Belastingdienst bij de uitvoering van (belasting)wetgeving.
3.1.
Op 31 augustus 2023 heeft eiser verzocht om inzage in gegevens over hem in de FSV. Eiser wil vooral weten wat de concrete aanleiding was voor opname in de FSV en hij wil weten welke diensten en functionarissen toegang hebben gehad tot deze persoonsgegevens.
3.2.
Op 21 oktober 2023 heeft eiser een informatiebrief ontvangen waarin staat dat de FSV registratie geen gevolgen heeft gehad voor eiser, dat hij niet als fraudeur was aangemerkt, dat de gegevens van eiser niet zijn gedeeld en dat geen bijzondere persoonsgegevens van eiser in de FSV waren geregistreerd.
3.3.
Hierna heeft de minister de besluiten genomen zoals beschreven in het procesverloop en hierna. De minister heeft ervoor gekozen om een overzicht te verstrekken van de gegevens over eiser die zijn geregistreerd in de FSV.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de primaire beslissing op het inzageverzoek in stand gelaten. In de eerste plaats is met het overzicht wel inzage verstrekt omdat op basis van de AVG geen recht op inzage in de stukken zelf bestaat of recht op een kopie van de gevraagde documenten. Verder vallen de vragen ‘waarom’ en ‘door wie’ de persoonsgegevens zijn opgenomen buiten de reikwijdte van artikel 15 van Pro de AVG want dat zijn geen persoonsgegevens die zijn te herleiden naar eiser. Bovendien zijn meerdere uitzonderingsgronden van artikel 41 van Pro de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) van toepassing. Ten slotte heeft de minister een ‘aantekening over anderen’ niet opgenomen in het overzicht omdat dit valt buiten de reikwijdte op grond van artikel 41 van Pro de UAVG. De minister heeft een belangenafweging uitgevoerd en heeft daarbij geoordeeld dat het privacybelang van eiser minder zwaar weegt dan de andere gewichtige redenen van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d, e, h en i van de UAVG.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG heeft een betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens. Het doel van artikel 15 van Pro de AVG is dat een betrokkene inzicht krijgt in welke persoonsgegevens van hem verwerkt zijn, zodat hij de juistheid en rechtmatige verwerking daarvan kan controleren.
5.2.
Volgens artikel 4, eerste lid, van de AVG zijn persoonsgegevens alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon.
5.3.
Op grond van artikel 23, eerste lid, van de AVG kan de reikwijdte van artikel 15 van Pro de AVG worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing zijn, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van de in dit artikel opgesomde doelen.
De wetgever heeft dit geregeld in artikel 41 van Pro de UAVG. Uit artikel 41, eerste lid, van de UAVG volgt dat de verwerkingsverantwoordelijke de verplichting en rechten uit artikel 15 van Pro de AVG buiten toepassing kan laten voor zover zulks noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de opgesomde doelen.
Mocht de minister volstaan met het verstrekken van een overzicht en is dit volledig?
6. Eiser vindt allereerst dat de minister geen inzage heeft verleend omdat slechts een samenvatting over de registratie van zijn persoonsgegevens in de FSV is gegeven. Volgens eiser betekent inzage het ontvangen van een kopie van documenten, een uitdraai van het systeem of eventueel het verkrijgen van schermafbeeldingen. Gelet op een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland [1] moet het beroep alleen al om deze reden slagen. In die zaak waren namelijk wel documenten verstrekt, maar oordeelde de rechtbank dat beperkt was gezocht en was aannemelijk dat niet alle documenten waren verstrekt. De enkele mededeling van de minister over wat is geregistreerd, kan eiser zonder verstrekking van de documenten niet controleren op juistheid en dat is in strijd met de AVG. Eiser heeft hier veel belang bij omdat hij nog steeds gevolgen ervaart van de FSV. Dit blijkt uit de omstandigheid dat de Belastingdienst recent heeft besloten om een boekenonderzoek te starten bij een slapende eenmanszaak van eiser. Het is dus aannemelijk dat de FSV nog steeds wordt gebruikt.
Ten tweede vindt eiser het overzicht (en dus de inzage) onvolledig omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een uitzonderingsgrond om de inzage te beperken. Eiser heeft geen antwoord gehad op zijn vragen waarom de gegevens zijn geregistreerd, wie dit heeft gedaan, wie inzage heeft gehad, sinds wanneer de registratie bestond en hoelang deze nog zal blijven bestaan.
6.1.
De minister heeft ervoor gekozen om een overzicht op te stellen van de gegevens van eiser die in de FSV zijn geregistreerd. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft eiser geen recht op verstrekking van een kopie zelf en kan de minister dus volstaan met dit overzicht. De minister heeft bovendien de volgende onderdelen van de registratie FSV niet gedeeld: namen van derden (ambtenaren), een aantekening, melder/bron/tipgever. Op basis van de uitzonderingsgronden van artikel 23 van Pro de AVG in samenhang met artikel 41, eerste lid, onder d, e, h en i van de UAVG kan niet meer inzage worden gegeven. De minister heeft hierbij het privacybelang van eiser afgewogen tegenover het toezichts- en opsporingsbelang van de overheid en de privacybelangen van anderen.
Na heropening van het onderzoek heeft de minister alsnog schermafbeeldingen verstrekt van de FSV waarbij hij informatie heeft weggelakt op grond van dezelfde uitzonderingsgronden. [2] De minister neemt hierbij het standpunt in dat hij deze schermafbeeldingen niet hoefde te verstrekken om te voldoen aan het inzageverzoek en blijft bij het standpunt dat het verstrekken van het overzicht voldoende is.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende inzage heeft verleend met het verstrekte overzicht omdat hierin onvoldoende informatie is opgenomen over de herkomst (de bron) van de in de FSV geregistreerde gegevens. De motivering van de minister om de uitzonderingsgronden van artikel 41, eerste lid, van de UAVG toe te passen op gegevens over de bron, is ook onvoldoende.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in beginsel wel zou kunnen volstaan met het verstrekken van een overzicht, mits dat overzicht volledig is. De rechtbank volgt het betoog van eiser dus niet dat de minister (geheel) geen inzage heeft verschaft door het verstrekken van een overzicht van de persoonsgegevens van eiser die in de FSV zijn verwerkt. Daarmee kan de minister namelijk wel voldoen aan artikel 15 van Pro de AVG. Dit artikel bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene een kopie verstrekt van de persoonsgegevens die worden verwerkt. In vaste rechtspraak heeft de ABRvS overwogen dat uit onder meer de toelichting op de AVG, niet blijkt wat onder 'kopie van persoonsgegevens' moet worden verstaan. [3] Naar het oordeel van de ABRvS betekent de verplichting een ‘kopie van de persoonsgegevens’ te verstrekken niet dat een bestuursorgaan verplicht is een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen. Hieruit volgt geen recht op verstrekking van een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. [4] Stukken als zodanig zijn namelijk geen persoonsgegevens. Wel bestaat een recht op een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van alle persoonsgegevens. Dat wil zeggen in een vorm die de betrokkene in staat stelt kennis te nemen van de gegevens over hem en hem in staat stelt te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de AVG. In welke materiële vorm de gegevens moeten worden verstrekt, is daarom afhankelijk van de concrete omstandigheden. Een bestuursorgaan mag er dus voor kiezen om een kopie te verstrekken van de documenten waarin de persoonsgegevens staan, maar het mag ook voor een andere vorm kiezen waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, mits met de gekozen wijze van verstrekking maar aan artikel 15, derde lid, van de AVG wordt voldaan. [5]
7.2.
De minister heeft in het besluit op het inzageverzoek een overzicht verstrekt waaruit blijkt dat in de FSV de volgende gegevens over eiser waren opgenomen: het BSN, de achternaam en de voorletters. Ook staat in het overzicht vermeld dat in het submenu (van de FSV) de namen en interne code staan van het belastingkantoor waar de fiscale aangelegenheden van eiser worden behandeld waarop het signaal betrekking heeft. De in het overzicht genoemde competente eenheid is ‘Breda MKB (verzorgingsgebied Zuid)’. Ten slotte staat vermeld dat de gegevens op 25 juni 2019 in de FSV zijn opgenomen. Samengenomen volgt uit dit overzicht dat de gegevens van eiser in de FSV zijn opgenomen op 25 juni 2019 naar aanleiding van een signaal en dat deze gegevens worden verwerkt bij het belastingkantoor in Breda. In zoverre biedt dit overzicht voldoende inzicht in welke gegevens van eiser zijn geregistreerd in de FSV, vanaf wanneer en welke eenheid het signaal in behandeling had. De omstandigheid dat de minister na heropening van het onderzoek alsnog schermafbeeldingen van de FSV heeft ingediend, doet niets af aan het standpunt dat verstrekking van het overzicht met toelichting voldoende kan zijn, mits het overzicht volledig is gebleken.
7.3.
In dit concrete geval heeft de minister geen volledig overzicht verschaft. Uit dit overzicht blijkt de herkomst van het signaal (de bron) namelijk niet. Zoals onder 6.1 al is weergegeven, heeft de minister met toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 41, eerste lid, onder d, e, h en i, van de UAVG de volgende gegevens niet verstrekt: namen van derden (ambtenaren), een aantekening, melder/bron/tipgever. Na de heropening van het onderzoek heeft de minister alsnog twee schermafbeeldingen ingediend van de FSV waarin de volgende informatie is weggelakt: namen van derden (ambtenaren), de aantekening, melder/bron/tipgever, benaming tabblad, aantal bijlagen.
7.3.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van de geheime (ongeschoonde) stukken en is het met de minister eens dat hij de namen van de betrokken ambtenaren niet openbaar hoefde te maken. Openbaarmaking kan namelijk buiten toepassing worden gelaten ter waarborging van de bescherming van de rechten of vrijheden van derden zoals bedoeld in artikel 41, eerste, lid, aanhef en onder i, van de UAVG. Het is daarnaast echter vaste rechtspraak van de ABRvS dat op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder g, van de AVG de minister in beginsel gehouden is om eiser inzage te geven in alle beschikbare informatie over de bron van zijn persoonsgegevens, aangezien deze persoonsgegevens niet bij hem zijn verzameld. [6] De ABRvS verduidelijkt daarbij dat met een verzoek evenwel niet kan worden bereikt dat eiser inzage krijgt in de naam van de persoon die gegevens over hem heeft verstrekt aan de Belastingdienst. In artikel 15, vierde lid, van de AVG is bepaald dat het recht op inzage in de eigen persoonsgegevens geen afbreuk doet aan de rechten en vrijheden van anderen. In geval van strijdigheid tussen enerzijds de volledige uitoefening van het recht van inzage van persoonsgegevens en anderzijds de rechten of vrijheden van anderen, moeten de betrokken rechten tegen elkaar worden afgewogen. In dit geval heeft de minister zich dus op het standpunt mogen stellen dat het belang van de bescherming van rechten en vrijheden van de persoon, wiens naam het betreft, zwaarder weegt dan het recht van eiser op inzage en zijn belang bij waarheidsvinding.
7.3.2.
De rechtbank volgt de minister echter niet dat de uitzonderingsgronden van artikel 41, eerste lid, onder d, e, h, en i, van de UAVG van toepassing zijn op de aantekening en op de gegevens over de melder/bron/tipgever. De rechtbank stelt gelet op de geheime stukken vast dat het weigeren van de gegevens over de aantekening en gegevens over de bron met elkaar samenhangen. Uit de aantekening volgt namelijk informatie over de bron. Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder g, van de AVG is de minister in beginsel gehouden om eiser inzage te geven in alle beschikbare informatie over de bron. Dat is anders als sprake is van een uitzonderingsgrond. Artikel 41, van de UAVG biedt weliswaar een grondslag om het inzagerecht te beperken, maar het is aan de minister om te motiveren waarom dat noodzakelijk en evenredig is. [7] Daar is de minister voor het geheimhouden van de aantekening en de bron niet in geslaagd.
Allereerst volgt de rechtbank de minister niet dat de uitzonderingsgrond van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder i, van de UAVG van toepassing is op deze gegevens. De minister heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd op welke wijze de belangen van derden worden geschaad door het verstrekken van gegevens over de aantekening en gegevens over de bron. Hiervoor heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het hier zou gaan om persoonsgegevens van derden, dan wel op welke wijze eiser op basis van deze gegevens de bron tot een specifieke persoon zou kunnen herleiden. Naar oordeel van de rechtbank had de minister moeten beoordelen of de desbetreffende gegevens op een wijze kunnen worden verstrekt die geen afbreuk doet aan de belangen van derden, door bijvoorbeeld een zakelijke, niet tot een tot de persoon herleidbare weergave van deze (persoons)gegevens te geven.
7.3.3.
Ten tweede volgt de rechtbank ook het betoog van de minister niet dat artikel 41, eerste lid, onder d, e en h, van de UAVG zich verzetten tegen het verstrekken van gegevens over de aantekening en gegevens over de bron. De rechtbank begrijpt het betoog van de minister zo dat met deze gegevens enerzijds inzicht wordt verschaft in de werkwijze en handhavingsstrategie van de Belastingdienst bij het toezicht op de naleving van de belastingwetgeving. Anderzijds komt volgens de minister het belang van het anoniem kunnen doen van meldingen in het geding. Als (algemene) informatie wordt verschaft over de herkomst van gegevens, dan betekent dat echter nog niet meteen dat (te) veel inzicht is gegeven in de werkwijze van in dit geval de Belastingdienst bij het toezicht op de naleving van de belastingwetgeving. Dat hangt af van de concrete omstandigheden en kan per geval verschillen. Denkbaar is dat de volgende omstandigheden een rol (kunnen) spelen: de aard van de bron (dus wie of wat), de soort overtreding waarnaar onderzoek wordt gedaan (dus waarover), etc. Na kennisneming van de geheime informatie is de rechtbank gelet op de aard van de bron van oordeel dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zodanig veel inzicht wordt verschaft in de werkwijze van de belastingdienst, dat het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten en het toezicht op de naleving van de belastingwetgeving in het geding komt. De beroepsgrond slaagt.
7.4.
Naast dat eiser vindt dat hij geen antwoord heeft gehad op de vraag waarom hij in de FSV is geregistreerd en door wie, heeft hij ook gesteld dat de minister ten onrechte niet heeft verduidelijkt sinds wanneer de registratie bestond, hoelang deze nog zal blijven bestaan en wie daartoe toegang heeft gekregen. Met uitzondering van de verstrekking gegevens over de aanleiding en de bron, heeft eiser echter wel antwoord gekregen op deze andere vragen. Dit betoog slaagt dus niet.
Herstelmogelijkheid
8. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 7, 7.3.2 en 7.3.3 overwogen is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
8.1.
Om het gebrek te herstellen kan de minister alsnog gegevens bekendmaken over de bron. Het is daarbij aan de minister zelf om te beoordelen hoe ver hij gaat in het bekendmaken van deze informatie. De minister kan ervoor kiezen om de specifieke bron te noemen of hij kan ervoor kiezen om desnoods te gaan voor een vorm die niet herleidbaar is tot persoonsgegevens als hij vindt dat daar aanleiding voor zou zijn.
8.2.
Als de minister echter bij zijn beoordeling blijft dat gegevens over de bron nog steeds niet kunnen worden verstrekt, dan zal hij de toepassing van uitzonderingsgronden beter moeten motiveren. Als de minister artikel 41, eerste lid, aanhef en onder i, van de UAVG wil toepassen, dan zal hij moeten verduidelijken waarom in dit geval sprake is van persoonsgegevens of op welke wijze deze gegevens te herleiden zijn tot persoonsgegevens zodat derden worden benadeeld als deze gegevens worden verstrekt. Als de minister de uitzonderingsgronden van artikel 41, eerste lid, onder d, e en h, van de UAVG wil handhaven, dan zal hij beter moeten motiveren waarom de werkwijze van de Belastingdienst en de overige door de gehanteerde uitzonderingsgronden beschermde belangen in het geding komen door het openbaar maken van gegevens over deze specifieke bron.
9. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
10. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 6 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening (EU) 2016/679 (Algemene verordening gegevensbescherming):
Artikel 4, eerste en zevende lid
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1. „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
[…]
7) „ „verwerkingsverantwoordelijke”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoons gegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen;
Artikel 15
1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
de verwerkingsdoeleinden;
de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
et bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
2. Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de betrokkene het recht in kennis te worden gesteld van de passende waarborgen overeenkomstig artikel 46 inzake Pro de doorgifte.
3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.
4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 23
De reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 en artikel 34, alsmede in artikel 5 kan Pro, voor zover de bepalingen van die artikelen overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 20, worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing zijn, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van:
de nationale veiligheid;
landsverdediging;
de openbare veiligheid;
de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid;
andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Unie of van een lidstaat, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden, volksgezondheid en sociale zekerheid;
de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures;
de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen;
een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de in de punten a), tot en met e) en punt g) bedoelde gevallen;
de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen;
de inning van civielrechtelijke vorderingen.
De in lid 1 bedoelde wettelijke maatregelen bevatten met name specifieke bepalingen met betrekking tot, in voorkomend geval, ten minste:
de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking,
de categorieën van persoonsgegevens,
het toepassingsgebied van de ingevoerde beperkingen,
de waarborgen ter voorkoming van misbruik of onrechtmatige toegang of doorgifte,
de specificatie van de verwerkingsverantwoordelijke of de categorieën van verwerkingsverantwoordelijken,
de opslagperiodes en de toepasselijke waarborgen, rekening houdend met de aard, de omvang en de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking,
de risico's voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen, en
het recht van betrokkenen om van de beperking op de hoogte te worden gesteld, tenzij dit afbreuk kan doen aan het doel van de beperking.

Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming

Artikel 41
1. De verwerkingsverantwoordelijke kan de verplichtingen en rechten, bedoeld in de artikelen 12 tot en met 21 en artikel 34 van Pro de verordening, buiten toepassing laten voor zover zulks noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van:
a. de nationale veiligheid;
b. landsverdediging;
c. de openbare veiligheid;
d. de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid;
e. andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Europese Unie of van Nederland, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Europese Unie of van Nederland, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden, volksgezondheid en sociale zekerheid;
f. de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures;
g. de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen;
h. een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de gevallen, bedoeld in de onderdelen a, b, c, d, e en g;
i. de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen; of
j. de inning van civielrechtelijke vorderingen.
2. Bij de toepassing van het eerste lid houdt de verwerkingsverantwoordelijke rekening met in ieder geval, voor zover van toepassing:
a. de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking;
b. de categorieën van persoonsgegevens;
c. het toepassingsgebied van de ingevoerde beperkingen;
d. de waarborgen ter voorkoming van misbruik of onrechtmatige toegang of doorgifte;
e. de specificatie van de verwerkingsverantwoordelijke of de categorieën van verwerkingsverantwoordelijken;
f. de opslagperiodes en de toepasselijke waarborgen, rekening houdend met de aard, de omvang en de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking;
g. de risico's voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen; en
h. het recht van betrokkenen om van de beperking op de hoogte te worden gesteld, tenzij dit afbreuk kan doen aan het doel van de beperking.

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland 29 november 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:7505.
2.Naast de reeds genoemde niet verstrekte informatie, heeft de minister ook het aantal bijlagen en de benaming van het tabblad weggelakt in de schermafbeeldingen.
3.ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:148, r.o. 7.1.
4.ABRvS 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3067, r.o. 6.6.
5.ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:148, r.o. 7.1.
6.25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1033, ABRvS r.o. 5.1.
7.ABRvS 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:394, r.o. 8.4.