Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen
mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser
de minister van Financiën, de minister.
Samenvatting
.Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. De minister zal wel in de gelegenheid worden gesteld om dit gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
De wetgever heeft dit geregeld in artikel 41 van Pro de UAVG. Uit artikel 41, eerste lid, van de UAVG volgt dat de verwerkingsverantwoordelijke de verplichting en rechten uit artikel 15 van Pro de AVG buiten toepassing kan laten voor zover zulks noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de opgesomde doelen.
Allereerst volgt de rechtbank de minister niet dat de uitzonderingsgrond van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder i, van de UAVG van toepassing is op deze gegevens. De minister heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd op welke wijze de belangen van derden worden geschaad door het verstrekken van gegevens over de aantekening en gegevens over de bron. Hiervoor heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het hier zou gaan om persoonsgegevens van derden, dan wel op welke wijze eiser op basis van deze gegevens de bron tot een specifieke persoon zou kunnen herleiden. Naar oordeel van de rechtbank had de minister moeten beoordelen of de desbetreffende gegevens op een wijze kunnen worden verstrekt die geen afbreuk doet aan de belangen van derden, door bijvoorbeeld een zakelijke, niet tot een tot de persoon herleidbare weergave van deze (persoons)gegevens te geven.